Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
10-1580 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen op grond van de Wmo. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de in artikel 1.3 van de Verordening opgenomen delegatie aan het college in strijd is met de wet. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de aard van de desbetreffende bevoegdheid zich tegen delegatie verzet. Zoals de Raad al eerder over een met artikel 1.3 van de Verordening vergelijkbare bepaling heeft geoordeeld (zie zijn uitspraken van 17 november 2010, LJN BO6880, en van 22 december 2010, LJN BO9987) is de in die bepaling aan het college gegeven opdracht tot nadere regelgeving niet in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, en doende wat de rechtbank had moeten doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1580 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 februari 2010, 09/3755 WMO (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het Centraal Administratiekantoor B.V. (CAK)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 1 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

CAK heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Partijen zijn, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft CAK de maximaal te betalen eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen die betrokkene op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontvangt, voor het zorgjaar 2008 vastgesteld op € 432,96 per periode van vier weken.

1.2. Bij besluit van 20 april 2009 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van betrokkene tegen de vaststelling van de maximale eigen bijdrage per vier weken voor het zorgjaar 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat de Wmo het niet toelaat dat de bevoegdheid van de gemeenteraad om te bepalen in welke gevallen een eigen bijdrage wordt opgelegd en hoe deze berekend wordt gedelegeerd aan het college.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 januari 2009 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 15, eerste lid, van de Wmo tot gevolg heeft dat het college niet bevoegd was de hoogte van de eigen bijdrage vast te stellen. De gemeenteraad heeft in artikel 1.3 van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2007 (de Verordening) de bevoegdheid om voorschriften vast te stellen met betrekking tot de eigen bijdrage ten onrechte overgedragen aan het college. De artikelen 3.1 en 3.2 van de Regeling maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2008 missen verbindende kracht wegens strijd met artikel 15 van de Wmo. De aard van de bevoegdheid tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de eigen bijdrage, die is toegekend aan de gemeenteraad, verzet zich tegen delegatie aan het college.

3. CAK heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de in artikel 1.3 van de Verordening opgenomen delegatie aan het college in strijd is met de wet. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de aard van de desbetreffende bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad al eerder over een met artikel 1.3 van de Verordening vergelijkbare bepaling heeft geoordeeld (zie zijn uitspraken van 17 november 2010, LJN BO6880, en van 22 december 2010, LJN BO9987) is de in die bepaling aan het college gegeven opdracht tot nadere regelgeving niet in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, en doende wat de rechtbank had moeten doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard.

4.2. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en A.J. Schaap en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) P.J.M. Crombach

HD