Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
08-7341 ANW + 11-5125 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ANW-uitkering en weigering overleden echtgenoot alsnog toe te laten tot de vrijwillige verzekering ANW. Verplichting om bij de Svb een aanvraag in te dienen uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. Deze termijn is in het onderhavige geval (ruimschoots) overschreden. Geen dusdanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding appellante niet kan worden tegengeworpen. De Svb heeft terecht besloten de echtgenoot postuum, dan wel appellante namens haar echtgenoot, niet toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Nu vaststaat dat de echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verplicht verzekerd was voor de ANW, volgt hier eveneens uit dat de Svb op juiste gronden heeft geweigerd aan appellante een ANW-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7341 ANW, 11/5125 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 08/2275 (uitspraak 1) en 22 juli 2011, 09/2240 (uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

In het geding 08/7341 ANW heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. Ter zitting is namens partijen verzocht het geding aan te houden, omdat de procedure over de toelating tot de vrijwillige verzekering in het kader van de Algemene nabestaandenwet (ANW) kort daarvoor door de rechtbank Amsterdam was behandeld. De Raad heeft daarop het onderzoek heropend.

In het geding met betrekking tot de toelating tot de vrijwillige verzekering heeft de rechtbank Amsterdam op 22 juli 2011 uitspraak gedaan. In hoger beroep is het zaaknummer hiervoor 11/5125 ANW.

In beide gedingen heeft de Svb een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Namens appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

Geding 08/7341 ANW

1.1. Met een brief van 24 september 2007 heeft appellante de Svb laten weten dat haar echtgenoot, [naam echtgenoot], op

18 september 2007 is overleden. Zij heeft verzocht haar een uitkering toe te kennen.

1.2. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft de Svb appellante bericht dat zij geen recht heeft op een ANW-uitkering, omdat [naam echtgenoot] op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 april 2008 (besluit 1).

1.3. In uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

Geding 11/5125 ANW

2.1. Bij brief van 1 april 2008 heeft appellante verzocht [naam echtgenoot] alsnog een vrijwillige verzekering ANW aan te bieden, met ingang van 1 januari 2000. Met twee besluiten van 13 mei 2008 heeft de Svb appellante laten weten dat zij niet namens haar echtgenoot, noch haar echtgenoot postuum, kan deelnemen aan de vrijwillige verzekering. Met een besluit op bezwaar van 15 april 2009 (besluit 2) heeft de Svb het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard. [naam echtgenoot] heeft zich niet binnen een jaar na het einde van zijn verplichte verzekering, welke volgens de Svb eindigde op 1 januari 1994, toen hij AOW ging ontvangen, gemeld met een aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering. Deze aanvraag is pas gedaan op

1 april 2008, toen [naam echtgenoot] al was overleden.

2.2. De rechtbank heeft met een beslissing van 22 april 2010 de Svb in de gelegenheid gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.3. Met een besluit op bezwaar van 31 januari 2011 (besluit 3) heeft de Svb besluit 2 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De Svb is nader van mening dat [naam echtgenoot], gezien de uitspraak van de Raad van 27 mei 1998 (RSV 1998, 274 en USZ 1998/220) en het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2000 (LJN AA6315), tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen. Er is echter niet binnen een jaar daarna door [naam echtgenoot] een aanvraag gedaan om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de aanmeldingstermijn verschoonbaar maken.

2.4. In uitspraak 2 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het beroep zich mede richt tegen besluit 3. Nu besluit 2 is ingetrokken heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling daarvan en de rechtbank heeft het beroep hiertegen niet-ontvankelijk verklaard. Wel wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van € 437,- aan proceskosten. Het beroep tegen besluit 3 is ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep bestrijdt appellante de uitspraken vooral wat betreft de weigering [naam echtgenoot] toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Daarnaast meent appellante dat de rechtbank de proceskostenveroordeling in uitspraak 2 te laag heeft vastgesteld.

4.1. Met betrekking tot de proceskosten slaagt het hoger beroep. De rechtbank heeft een punt, als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Echter, op 22 april 2010 heeft voorafgaand aan het nemen van besluit 3 een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. De rechtbank had dus twee punten moeten toekennen en de Svb moeten veroordelen tot het vergoeden van € 874,-.

4.2. In hoger beroep is inhoudelijk in geschil de weigering [naam echtgenoot] alsnog toe te laten tot de vrijwillige verzekering ANW. Indien geoordeeld zou worden dat de Svb ten onrechte [naam echtgenoot], of appellante namens hem, niet heeft toegelaten tot deze vrijwillige verzekering, dan kan de weigering aan appellante een ANW-uitkering toe te kennen niet op de aangevoerde argumenten stand houden.

4.3. Ten aanzien van de vrijwillige verzekering moet vastgesteld worden dat gezien artikel 63b van de ANW de gewezen verzekerde die een vrijwillige verzekering wil afsluiten, verplicht is daartoe bij de Svb een aanvraag in te dienen uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. Deze termijn is in het onderhavige geval (ruimschoots) overschreden.

4.4. De vraag of sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding appellante niet tegengeworpen mag worden beantwoordt de Raad ontkennend. Sinds aan [naam echtgenoot] een AOW-pensioen is toegekend, kon hij op de pensioenoverzichten en jaaroverzichten zien dat er geen premies voor de volksverzekeringen werden ingehouden. Dat dit, achteraf gezien, onjuist is maakt dit niet anders. Daarnaast is in de periodieke informatie die de Svb aan haar klanten zendt, uitgebreid aandacht besteed aan de wijziging van de Nederlandse regelgeving waaruit voortvloeide dat de verplichte verzekering voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden beëindigd werd en dat deze personen zich vrijwillig konden verzekeren. Niet blijkt dat [naam echtgenoot] zich op enig moment tot de Svb heeft gewend met een vraag over zijn verzekeringspositie, dan wel de wens te kennen heeft gegeven een vrijwillige verzekering af te sluiten. Indien [naam echtgenoot] de verzekering voor de ANW niet had willen prijsgeven, had het - te meer nu hij in het buitenland woonde - op zijn weg gelegen contact te zoeken met de Svb.

4.5. Zoals uit 4.3 en 4.4 volgt heeft de Svb terecht besloten [naam echtgenoot] postuum, dan wel appellante namens [naam echtgenoot], niet toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Nu vaststaat dat [naam echtgenoot] ten tijde van zijn overlijden niet verplicht verzekerd was voor de ANW, volgt hier eveneens uit dat de Svb op juiste gronden heeft geweigerd aan appellante een ANW-uitkering toe te kennen.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat uitspraak 1 bevestigd zal worden en uitspraak 2 alleen vernietigd zal worden voor zover die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling.

5. De Raad acht daarnaast termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt uitspraak 1;

- vernietigt uitspraak 2 voor zover de Svb is veroordeeld tot vergoeding van € 437,- aan proceskosten in beroep en bepaalt dat de Svb aan appellante € 874,- aan proceskosten dient te vergoeden;

- bevestigt uitspraak 2 voor het overige;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellante van € 874,- voor proceskosten in hoger beroep;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het betaalde griffierecht van € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

RK