Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
10-5169 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomswet 1919. Svb niet bevoegd. Dagvaarden Staat der Nederlanden. Afwijzing aanvraag ouderdomsrente op grond van de Vrijwillige Ouderdomsverzekering. De Svb heeft ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Svb heeft overwogen dat, hoewel er geen bezwaarclausule is opgenomen in de brief van 25 februari 2009, dit wel als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt beschouwd, omdat in feite de aanvraag is afgewezen. De VOV is bij wet van 14 december 1977 ingetrokken, gezien artikel 25a van de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 (Lwo 1919). De Lwo 1919 is op zijn beurt ingetrokken ten tijde van de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (SUWI). Op grond van artikel 34 van de SUWI behoort de uitvoering van de Lwo 1919 niet langer tot de taken van de Svb. De Svb was dus niet bevoegd te beslissen op de aanvraag om uitbetaling van VOV-rechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/235

Uitspraak

10/5169 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 augustus 2010, 09/778 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. M.G. Stienstra hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer op 4 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. ing. Stienstra. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Na de behandeling is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. ing. Stienstra. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is bij besluit van 3 oktober 2008 met ingang van maart 2009 een volledig pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op 17 februari 2009 heeft hij de Svb gevraagd wanneer hij een besluit kon verwachten over zijn aanspraken op grond van de door hem afgesloten pensioenverzekering bij de Raad van Arbeid te Middelburg. Hij heeft daarbij overgelegd een beschikking van de Voorzitter van de Raad van Beroep te Rotterdam van

16 mei 1977 waarin onder andere staat vermeld dat appellant, bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, recht heeft op een ouderdomsrente van fl. 14,56 per maand.

1.2. Met een brief van 25 februari 2009 heeft de Svb appellant laten weten dat zijn aanvraag ziet op rechten op grond van de Vrijwillige Ouderdomsverzekering (VOV). Deze was gebaseerd op de Ouderdomswet 1919. Deze wet is in liquidatie gegaan en vanaf 1 september 1988 konden er geen rechten meer worden ontleend aan de VOV. Met ingang van 1 september 1990 zijn alle aanspraken hierop vervallen.

1.3. Bij besluit van 30 juli 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de brief van 25 februari 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de Svb overwogen dat, hoewel er geen bezwaarclausule is opgenomen in de brief van 25 februari 2009, dit wel als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt beschouwd, omdat in feite de aanvraag is afgewezen. De VOV is bij wet van 14 december 1977 ingetrokken, gezien artikel 25a van de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 (Lwo 1919). De Lwo 1919 is op zijn beurt ingetrokken ten tijde van de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (SUWI). Op grond van artikel 34 van de SUWI behoort de uitvoering van de Lwo 1919 niet langer tot de taken van de Svb. De Svb was dus niet bevoegd te beslissen op de aanvraag om uitbetaling van VOV-rechten.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Svb veroordeeld tot vergoeding van kosten in de bezwaarprocedure.

3. In hoger beroep hebben partijen hun standpunten in essentie herhaald. Tevens heeft appellant gesteld dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, nu zij wel is overgegaan tot een veroordeling in de kosten van bezwaar.

4.1. De Raad stelt voorop dat partijen de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak uitgesproken veroordeling van de Svb in de proceskosten van appellant in de bezwaarfase, in hoger beroep niet hebben aangevochten. Dit betekent dat deze veroordeling en de grondslag waarop die is gebaseerd tussen partijen niet in geschil is. Nu de Svb bij het bestreden besluit heeft geweigerd een veroordeling ter zake van proceskosten in bezwaar toe te kennen en de rechtbank daar wel aanleiding toe zag, had de rechtbank het bestreden besluit in zoverre dienen te vernietigen.

4.2. De aangevallen uitspraak kan ook op andere gronden niet in stand blijven. In zijn brief van 25 februari 2009 heeft de Svb een oordeel gegeven over appellants aanspraken op grond van de VOV. Deze brief dient te worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar open staat. Door de intrekking van de Low is de Svb niet meer bevoegd om een beslissing te nemen die is gebaseerd op de VOV. In de SUWI is in een dergelijke bevoegdheid ook niet voorzien. In het bestreden besluit is de Svb dus terecht tot het oordeel gekomen dat hij niet bevoegd was over appellants aanspraken op grond van de VOV te beslissen. De Svb heeft het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2009 gezien het voorgaande ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Na heroverweging van zijn besluit van 25 februari 2009 in de bezwaarfase had de Svb het bezwaar gegrond moeten verklaren en zich, met herroeping van het besluit van 25 februari 2009, alsnog niet bevoegd moeten verklaren. Het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak dus ten onrechte in stand gelaten.

4.3. Voor zover appellant meent in het kader van de VOV een geldsom te vorderen te hebben, zou hij de Staat der Nederlanden moeten dagvaarden in een procedure naar burgerlijk recht.

4.4. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden, behoudens wat de veroordeling tot vergoeding van proceskosten in bezwaar betreft. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen, het besluit van 25 februari 2009 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 10,20 aan reiskosten in beroep en € 1.311,- voor verleende rechtsbijstand en € 79,20 aan reiskosten in hoger beroep; totaal is dit

€ 2.044,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de Svb is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in bezwaar;

Vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 25 februari 2009;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 februari 2009;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.044,40;

Bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht van € 152,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.L. Schoor

RK