Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
11-4258 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht besloten dat het verzoek van betrokkene niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Bijzondere omstandigheden. Betrokkene heeft zich binnen een redelijk te achten termijn nadat hem duidelijk was geworden dat hij niet meer verplicht verzekerd was voor de AOW en ANW, bij de Svb gemeld met een aanvraag voor de vrijwillige verzekering. Het kan betrokkene niet verweten worden dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW.

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet 63b, geldigheid: 2012-08-03
Algemene Ouderdomswet 36, geldigheid: 2012-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/236

Uitspraak

11/4258 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2011, 11/144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te Marokko (betrokkene)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.Y. van de Berg. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in Nederland werkzaam geweest. Hij is voor 2000 naar Marokko teruggekeerd. In 2007 is aan hem, met ingang van 14 juni 1999, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met een aanvraagformulier, door appellant ontvangen op 1 november 2007, heeft betrokkene verzocht hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2. Bij besluit van 27 december 2007 heeft appellant betrokkene medegedeeld dat hij niet bevoegd is aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW deel te nemen omdat hij zich niet binnen een jaar na het einde van de verplichte verzekering voor deze wetten heeft aangemeld. Bij het bestreden besluit van 30 november 2010 heeft appellant zijn besluit van 27 december 2007 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant weliswaar in overeenstemming met de wettelijke bepalingen tot de conclusie is gekomen dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, maar dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat betrokkene toch tot de vrijwillige verzekering toegelaten dient te worden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2010, LJN BO6448.

3. In hoger beroep bestrijdt appellant deze uitspraak. Volgens appellant is geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat betrokkene tot de vrijwillige verzekering toegelaten dient te worden, nu hij niet aan appellant heeft gemeld dat hij in afwachting was van een besluit op zijn aanvraag om een WAO-uitkering. Hiervoor verwijst appellant naar overweging 3.5 van de uitspraak van de Raad van 31 juli 2008, LJN BD9232.

4.1. Betrokkene heeft in 2007 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was betrokkene in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten, omdat hij toen niet in Nederland woonde. Het feit dat inmiddels aan betrokkkene met terugwerkende kracht een WAO-uitkering was toegekend kon er in elk geval vanaf 1 januari 2000 niet toe leiden dat hij (weer) verplicht verzekerd werd voor de volksverzekeringen, omdat met ingang van die datum artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1999, 746, hierna: Besluit 746) was vervallen. Op grond van dit artikel waren buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvingen, voor 1 januari 2000 onder bepaalde omstandigheden verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de ANW.

4.2. Appellant heeft dus terecht besloten dat het verzoek van betrokkene niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering.

4.3. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn betrokkene niet tegengeworpen zou mogen worden, overweegt de Raad als volgt.

4.4. In de uitspraken van 31 juli 2008 en 19 november 2010 heeft de Raad geoordeeld dat iemand die, zoals in die zaken, ruim voor 2000 naar Marokko was teruggekeerd, niet verweten kan worden zich niet toen voor de vrijwillige verzekering te hebben gemeld. Zo iemand verkeerde in de, destijds, gerechtvaardigde veronderstelling weer verplicht verzekerd te geraken op het moment dat aan hem een relevante WAO-uitkering zou worden toegekend. Om in een dergelijke situatie mogelijk tot de vrijwillige verzekering toegelaten te kunnen worden was noodzakelijk dat iemand zich binnen een redelijke termijn nadat hem duidelijk was geworden dat hij niet meer verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen, bij appellant meldde met een aanvraag voor de vrijwillige verzekering. Omdat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 31 juli 2008 betrokkene aan appellant had gemeld, in het kader van een aanvraag kinderbijslag, dat hij in procedure was voor een WAO-uitkering, is dat aspect mede besproken in die uitspraak. Zoals ook al blijkt uit de uitspraak van 19 november 2010, leidt dit echter niet tot de conclusie dat een melding aan appellant omtrent de lopende WAO-aanvraag noodzakelijk is om van bijzondere omstandigheden te kunnen spreken bij de overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering.

4.5. Uit 1.1 en 4.1 volgt dat betrokkene zich binnen een redelijk te achten termijn nadat hem duidelijk was geworden dat hij niet meer verplicht verzekerd was voor de AOW en ANW, bij appellant heeft gemeld met een aanvraag voor de vrijwillige verzekering. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het betrokkene niet verweten kan worden dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

EV