Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
10-6760 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. De toetsing van het bestreden besluit dient te worden beperkt tot de medische grondslag daarvan en tot de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn. Geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Zorgvuldig medisch onderzoek. Belastbaarheid juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6760 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2010, 09/4896 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

Appellant heeft een rapport van september 2011 overgelegd van een op zijn verzoek verrichte expertise door de psychiater

S. Mulder. Hierop heeft het Uwv gereageerd door overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

5 december 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en M. [S.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was tot 1 november 2004 werkzaam als hulpkok en heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 6 maart 2007 ziek gemeld met psychische klachten.

2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 20 januari 2009 onderzocht door een verzekeringsarts. In haar rapport van dezelfde datum vermeldde zij een brief van de behandelende psychiater H. Loen van 10 december 2008, die als diagnose een chronische depressieve stoornis dan wel een aanpassingsstoornis noteerde. De verzekeringsarts verzocht vervolgens de psychiater W.M.J. Hassing een expertise te verrichten. In haar rapport van 4 februari 2009 vermeldde deze psychiater dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een ernstige depressieve stoornis, een angststoornis of ernstige persoonlijkheidspathologie. Voorts nam zij geen stoornissen in de cognitieve functies waar. Naar aanleiding van het rapport van Hassing, die als diagnose stelde een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming, en op basis van haar eigen bevindingen vermeldde de verzekeringsarts op 23 februari 2009 welke beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) haar aangewezen voorkwamen en dat er in verband met de rug- en schouderklachten geen extreme dynamische belasting of langdurige statische belasting diende te zijn. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat er geen verlies van verdienvermogen was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 20 maart 2009 vast dat er voor appellant met ingang van 3 maart 2007 (lees: 2009) geen recht op een Wet WIA-uitkering was ontstaan.

3. In de bezwaarprocedure zag de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 7 september 2009 op basis van de beschikbare medische gegevens geen medische argumenten om af te wijken van het medisch oordeel van de verzekeringsarts en onderschreef hij de FML. Vervolgens legde de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van

11 september 2009 aan de schatting uiteindelijk de functies productiemedewerker hout en bouw (SBC-code 111173), productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (SBC-code 111171) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) ten grondslag. Zijn conclusie was dat bij deze functies sprake was van een verlies van verdienvermogen van 1,64%. Ten slotte lichtte de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen bij deze functies uitgebreid toe. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 15 september 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 maart 2009 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van

15 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank overwoog in de eerste plaats dat appellant geen gronden heeft aangevoerd tegen de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit en dat het beroep alleen gericht is tegen de medische beoordeling. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2007 (LJN BA2955) dient, aldus de rechtbank, de toetsing van het bestreden besluit te worden beperkt tot de medische grondslag daarvan en tot de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn.

4.3. De rechtbank oordeelde dat er geen aanknopingspunten waren voor het oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig was. Voorts oordeelde zij dat de psychische en fysieke belastbaarheid van appellant op de juiste wijze was vastgesteld. De rechtbank onderschreef de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 1 september 2010 op het in beroep overgelegde rapport van de psychiater W.H. Lionarons van 11 juni 2010. Deze psychiater concludeerde dat er bij zijn onderzoek sterke aanwijzingen waren voor een ernstige depressieve stoornis, die gepaard ging met paniekaanvallen en gegeneraliseerde angst, waardoor appellant sterk wordt belemmerd. De bezwaarverzekeringsarts zag geen aanwijzingen voor toepasselijkheid van de diagnose van Lionarons op de datum in geding en wees hiervoor op de bevindingen van de verzekeringsarts en Hassing.

5.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van zijn beperkingen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische klachten, dat zij ten onrechte aannam dat de diagnose van Lionarons niet zag op de datum in geding en dat zij ten onrechte de overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies accepteerde.

Ter ondersteuning van zijn visie over het medisch oordeel van de rechtbank heeft appellant gewezen op de in de rubriek “Procesverloop” vermelde expertise van de psychiater Mulder. Deze psychiater concludeerde dat bij appellant, die beschreef dat zijn klachten sinds maart 2009 niet waren veranderd, op de datum in geding sprake was van een chronische, recidiverende, ernstige depressieve stoornis zonder psychotische kenmerken en van een paniekstoornis met agorafobie. Volgens Mulder zouden met name in de rubrieken 1 en 2 van de FML aanvullende beperkingen moeten worden gesteld.

5.2. In een aanvullend beroepschrift van 24 januari 2011 heeft appellant - naast in essentie een herhaling van zijn medische gronden - aangevoerd zich af te vragen of appellant, gezien zijn analfabetisme, in de geduide functies kan voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van leesvaardigheid. Voorts heeft appellant gesteld dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld.

6.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het in overweging 4.2 weergegeven oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de reikwijdte, gezien de in beroep voorgedragen gronden, van haar toetsing van het bestreden besluit. Gelet hierop vallen de in 5.2. vermelde arbeidskundige gronden van appellant buiten de door de Raad in hoger beroep aan te leggen toetsing van het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit.

6.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In dit oordeel van de Raad ligt tevens besloten dat ook hij, evenals de rechtbank, geen aanleiding ziet om een psychiater te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Met de rechtbank is hij van oordeel dat de diagnose van Lionarons niet van toepassing moet worden geacht op de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding. Hetzelfde geldt voor de conclusies van Mulder, wat verder ook zij van de betekenis van die conclusies voor de datum van haar onderzoek, 22 augustus 2011. De Raad wijst wat betreft het rapport van Mulder erop dat Hassing over de dagvulling van appellant schreef dat hij bij thuiskomst van de kinderen het huis verliet en bijvoorbeeld naar het park ging, dat hij af en toe de moskee bezocht waarbij hij wat contact met anderen had en dat hij wekelijks naar een gespreksgroep van Marokkaanse mannen ging. Deze dagvulling met activiteiten buitenshuis wijst, naar het de Raad voorkomt, gezien ook de bevindingen van de verzekeringsarts en Hassing, niet zonder meer op het bestaan van agorafobie op de datum in geding. Voorts valt, naar het de Raad voorkomt, de in 5.1 vermelde beschrijving in het rapport van Mulder van het beloop volgens appellant van zijn klachten sinds maart 2009 niet te rijmen met de brief van Loen van 17 februari 2010 waarin staat geschreven dat de depressie en de dosering van de medicatie inmiddels zijn toegenomen.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant in de FML vastgelegde beperkingen, heeft de Raad, gezien ook de uitvoerige toelichting van de signaleringen in het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, geen aanknopingspunten gezien om de medische geschiktheid van de uiteindelijk geduide functies in twijfel te trekken. Tegen die geschiktheid heeft appellant in hoger beroep ook geen afzonderlijke gronden meer ingebracht.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. Haan

RK