Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
11-2309 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2309 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 maart 2011, 10/49 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nadere rapportage overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts van

22 juni 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M.P. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1978, heeft een op 26 mei 2009 gedateerde aanvraag om een uitkering ingevolge de toen geldende Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van

21 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Dit besluit berust op een onderzoek door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Bij besluit van 2 december 2009 (bestreden besluit) is, na onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat appellante met ingang van 22 januari 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

2. In beroep heeft appellante een schrijven overgelegd van behandelend psychiater T.R.W.M. Walrave van

24 november 2009, waarin deze aangeeft dat zich bij appellante de afgelopen jaren regelmatig maniforme dan wel depressieve decompensaties hebben voorgedaan. Walrave acht appellante slechts beperkt in staat loonvormende arbeid te verrichten. Hij heeft aangegeven geen gefundeerd oordeel te kunnen geven over het toestandsbeeld van appellante op

22 januari 1995. Voorts heeft appellante brieven overgelegd van huisarts-medisch adviseur drs. D. Sok van 30 oktober 2009,

26 november 2009 en 28 januari 2010. Appellante heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij haar bestaande beperkingen en dat zij om medische redenen niet in staat is de voorgehouden functies te vervullen.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.1. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de in beroep overgelegde verklaring van psychiater Walrave, gesteld dat een urenbeperking dient te worden aangenomen. Voorts is een rapport van 31 mei 2011 overgelegd van gezinstherapeut/traumadeskundige G. Paskamp. Appellante heeft opnieuw aangevoerd dat de bij haar bestaande psychische problematiek dermate ernstig is dat geen van de voorgehouden functies als passend kan worden beschouwd.

4.2. Het Uwv heeft in verweer een nadere rapportage van 22 juni 2011 overgelegd, waarin de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat, gezien de gevolgde opleidingen door appellante rond de datum in geding, de standaard ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ door de primaire verzekeringsarts terecht niet is toegepast en er terecht een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld.

5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de weigering om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, gelet op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft, gelezen dient te worden als een zodanige weigering waarbij inhoudelijk de regels van de op die datum geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zijn toegepast. De datum in geding is

22 januari 1996.

5.2. De Raad stelt voorts vast dat niet in geschil is dat appellante al rond haar 17e en 18e jaar beperkingen ondervond als gevolg van de in 2009 vastgestelde psychische stoornis (bipolaire I stoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis). In verband hiermee heeft de verzekeringsarts in de FML van 24 juni 2009 beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.

5.3. De rechtbank heeft terecht in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gezien op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 1 december 2009 reeds genoegzaam gemotiveerd dat er geen medische reden was voor een urenbeperking ten tijde van de datum in geding. Er zijn geen medische gegevens overgelegd ten aanzien van de genoemde opnames in een psychiatrisch ziekenhuis in Turkije in 1992 en 1994. Tussen 1994 en 2000 is er kennelijk geen sprake geweest van een behandeling of een opname. Daar staat tegenover dat appellante rond haar 17e en 18e jaar enkele opleidingen heeft gevolgd en heeft afgesloten met een diploma dan wel certificaat en dat zij na de datum in geding gedurende anderhalf jaar werkzaam is geweest zonder noemenswaardige uitval.

In de in hoger beroep overgelegde rapportage van 31 mei 2011 heeft gezinstherapeut Paskamp aangegeven dat appellantes werk bij [naam werkgever] sterk moet worden gerelativeerd omdat zij werkte op een afdeling waar haar broer afdelingshoofd was en het nodige door de vingers zag. Dit standpunt is niet nader onderbouwd en vindt geen steun in de beschikbare gegevens. De Raad onderschrijft het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in zijn rapportage van 22 juni 2011.

5.4. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid voldoende overtuigend heeft toegelicht.

5.5. Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en M.S.E. Wulfraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. Haan

ev