Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
11-4011 WSF + 11-4012 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening recht op studiefinanciering. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 1 september 2008 geen recht heeft op studiefinanciering. De Minister heeft de bevoegdheid een eerder op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens genomen beschikking te herzien. De Minister heeft gebruik mogen maken van de in bevoegdheid om zijn besluit te herzien. De rechtbank heeft genoegzaam gemotiveerd waarom appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Weigering compensatie voor het niet gebruik kunnen maken van de reisvoorziening. Omdat appellante niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, waaronder een reisvoorziening, komt zij mitsdien ook niet in aanmerking voor compensatie voor het niet gebruik kunnen maken van de reisvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4011 WSF en 11/4012 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei 2011, 10/824 en 10/1246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Appellante heeft zich laten bijstaan door mr. Vermeeren. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de

IB-Groep.

2. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

2.1. Bij Bericht Studiefinanciering 2008, nr. 2, van 3 oktober 2009 heeft de Minister vastgesteld dat appellante met ingang van 1 september 2008 recht heeft op studiefinanciering.

2.2. Bij brief van 14 januari 2010 heeft appellante verzocht om compensatie, nu zij vanaf 1 september 2008 geen gebruik heeft kunnen maken van een OV-studentenkaart.

2.3. Bij besluit van 17 februari 2010 heeft de Minister appellantes verzoek afgewezen. Deze afwijzing heeft de Minister gehandhaafd met zijn besluit van 21 mei 2010 (bestreden besluit 1).

2.4. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de Minister vastgesteld dat aan appellante ten onrechte met ingang van 1 september 2008 studiefinanciering is toegekend vanwege een systeemfout. Dit besluit heeft de Minister gehandhaafd met zijn besluit van 10 augustus 2010 (bestreden besluit 2).

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat het standpunt van de Minister dat appellante per 1 september 2008 geen recht heeft op studiefinanciering juist is en dat haar niet is gebleken dat er door de Minister ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan appellante zou hebben kunnen menen dat zij reeds met ingang van 1 september 2008 recht had op studiefinanciering.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij erop mocht vertrouwen met ingang van

1 september 2008 recht te hebben op studiefinanciering. Appellante heeft aangevoerd dat de Minister haar zonder enig voorbehoud studiefinanciering heeft toegekend. Indien dit standpunt slaagt, zo heeft appellante ter zitting nader uiteengezet, dan meent zij ook in aanmerking te komen voor compensatie zoals verzocht bij brief van 14 januari 2010.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 1 september 2008 geen recht heeft op studiefinanciering. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden van toekenning van studiefinanciering voor de zogenaamde postinitiƫle master. Bestreden besluit 1 rust mede op artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Deze bepaling geeft de Minister uitdrukkelijk de bevoegdheid een eerder op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens genomen beschikking te herzien. De Minister voert bij de uitoefening van deze bevoegdheid het beleid dat altijd volledig wordt herzien, tenzij de gegevens die tot de toekenning hebben geleid meerdere keren onjuist zijn verwerkt en de studerende redelijkerwijs niet van de onjuistheid van de toekenning op de hoogte kon zijn. Weliswaar is ingeval van appellante vanwege een systeemfout aanvankelijk ingaande 1 september 2008 studiefinanciering toegekend, maar niet is gebleken dat de gegevens die tot de toekenning hebben geleid meerdere keren onjuist zijn verwerkt. De Minister heeft dan ook gebruik mogen maken van de in artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 neergelegde bevoegdheid om zijn besluit van 3 oktober 2009 te herzien.

5.2. De rechtbank heeft de grond die appellante in beroep heeft aangevoerd en in hoger beroep heeft herhaald afdoende besproken. De rechtbank heeft genoegzaam gemotiveerd waarom appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De Raad voegt daaraan toe dat ook uit de systematiek geschetst in 5.1 niet volgt dat aan een besluit tot toekenning van studiefinanciering een vertrouwen als door appellante gesteld kan worden ontleend. De wetgever heeft uitdrukkelijk voorzien in het herstel van onjuiste beslissingen.

5.3. Uit de overwegingen 5.1 en 5.2 volgt dat appellante niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, waaronder een reisvoorziening en mitsdien ook niet voor compensatie voor het niet gebruik kunnen maken van de reisvoorziening.

5.4. Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) Z. Karekezi

RK