Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
12-3541 ZW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3541 ZW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. P.E. Stam, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Tevens is O. [A.] als getuige verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Daaraan ligt ten grondslag de motivering dat verzoeker niet werkzaam is geweest in een dienstbetrekking omdat geen sprake is van een gezagsverhouding tot de werkgever. Verzoeker is dan ook geen verzekerde in de zin van de ZW.

1.2. Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het Uwv het besluit van 31 mei 2011 gehandhaafd.

2.1. Bij uitspraak van 9 mei 2012, nr. 11/6158, heeft de rechtbank Haarlem het tegen het besluit van 14 oktober 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. Tegen deze uitspraak heeft mr. Stam namens verzoeker hoger beroep ingesteld.

3.1. Verzoeker heeft in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen tot het verstrekken van voorschotten op de uitkering ingevolge de ZW met ingang van 16 mei 2011.

3.2. Verzoeker voert aan dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij als gevolg van het besluit van 31 mei 2011 niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. Sinds 3 november 2010 heeft verzoeker geen inkomsten meer genoten en de aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand is door het college van B en W van de gemeente Zaanstad afgewezen. Verzoeker leeft momenteel van leningen en giften van zijn familie en vrienden. Hij is nog immer ziek en is dus niet in staat om inkomsten te verwerven met arbeid. Eén van de bedrijven van verzoeker is in staat van faillissement verklaard en inmiddels heeft verzoeker zijn huis noodgedwongen moeten verkopen. De situatie is onhoudbaar geworden. Ter onderbouwing legt verzoeker een brief van de Rabobank over van 30 juni 2011, waarin de Rabobank de aan verzoeker verstrekte financiering opzegt en verzoeker sommeert het bedrag van € 364.106,- binnen een periode van drie maanden aan de Rabobank te voldoen.

4.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3. Voorop gesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.4. De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

4.5. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Daarbij wordt van belang geacht dat uit de enkele brief van de Rabobank van 30 juni 2011 niet zonder meer volgt dat thans sprake is van een financiële noodsituatie. Nu voor de overige stellingen dat sprake is van een financiële noodsituatie, ook geen nadere stukken zijn overgelegd, ontbreekt een inzichtelijke onderbouwing van het standpunt van verzoeker dat sprake is van een dusdanig spoedeisend belang, dat het treffen van een voorlopige voorziening zou zijn aangewezen.

5. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

6. Er bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) M.R. Schuurman

KR