Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
11-3255 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat, nu de gronden van appellant met betrekking tot de FML, behalve de punten 4.3 en 4.6, reeds door de rechtbank in haar uitspraak van 9 december 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, deze gronden niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. De rechtbank heeft terecht uit de voorliggende medische gegevens de conclusie getrokken dat het Uwv thans bij de beoordeling in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellant geldende beperkingen bij het vaststellen van de FML. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellant, rekening houdend met de vastgestelde functionele mogelijkheden in staat moet worden geacht om de hem voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3255 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 april 2011, 10/241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere (medische) stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 23 juli 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van

3 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant bericht dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

1.2. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 oktober 2008 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 9 december 2009 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat, met uitzondering van de belastbaarheid op de punten 4.3 en 4.6, de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de in beroep opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft de beroepsgronden die hiertegen aangevoerd zijn verworpen. Voor de punten 4.3.8 (hand- en vingergebruik) en 4.6 (werken met toetsenbord en muis) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de opgenomen beperking juist is. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen. De rechtbank heeft er op gewezen dat de andere punten van de FML dan de genoemde 4.3.8 en 4.6 dan niet meer ter discussie staan. Als eiser het niet eens is met het oordeel over deze punten hij dit alleen aan de orde kan stellen in hoger beroep.

1.4. Partijen hebben in deze uitspraak berust en het Uwv heeft bij besluit van 27 januari 2010 het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 januari 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat met het vervallen van de verruimende toelichting op punt 4.6, de beperkingen voor dit punt en voor punt 4.3.8 weer gelijk zijn aan de eerder in 2007 aangenomen beperkingen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij op de genoemde punten meer beperkt is dan in 2007 heeft de rechtbank dit betoog verworpen. De verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek verricht. Reden voor twijfel aan hun door het Uwv overgenomen conclusies heeft de rechtbank niet. De rechtbank heeft overwogen dat zij in haar uitspraak van 9 december 2009 het geschil na vernietiging uitdrukkelijk heeft beperkt tot de punten 4.3.8 en 4.6 van de FML. Eiser heeft tegen de uitspraak van 9 december 2009 geen hoger beroep ingesteld. Er is geen reden om aan te nemen dat van eiser niet redelijkerwijs kon worden gevergd hoger beroep in te stellen. De rechtbank heeft geen reden gezien het uitdrukkelijk door haar beperkte geschil alsnog uit te breiden.

2. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden en daartoe aangevoerd dat hij niet alleen beperkt is voor zwaardere, maar voor iedere repeterende fysieke belasting van de nek en armen (hand en vingers). Appellant acht zich niet in staat om de geduide functies te vervullen. De belastbaarheid wordt overschreden op hand- en vingergebruik, ook al zou er bij de geduide functies geen sprake zijn van continu aaneengesloten repetitieve hand- en vingerbewegingen. Er is sprake van onvoldoende afwisseling in de te verrichten handelingen. Tevens heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het uitdrukkelijk door de rechtbank beperkte geschil alsnog dient te worden uitgebreid, doordat het Uwv op eigen initiatief meer beperkingen heeft aangenomen en een nieuwe arbeidskundige beoordeling heeft uitgevoerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat, nu de gronden van appellant met betrekking tot de FML, behalve de punten 4.3 en 4.6, reeds door de rechtbank in haar uitspraak van 9 december 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, deze gronden niet opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. De Raad ziet geen grond om in het voorliggende geval van de in vaste rechtspraak neergelegde lijn (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2009, LJN BH0865) af te wijken. Het Uwv heeft, ter voorbereiding van het besluit van 27 januari 2010 onverplicht en zorgvuldigheidshalve ook andere punten dan 4.3 en 4.6 van de FML bezien, maar dit heeft niet tot een gegrondverklaring van het bezwaar geleid zodat dit de Raad geen aanleiding geeft hieraan gevolgen te verbinden.

4.2. De rechtbank heeft terecht uit de voorliggende medische gegevens de conclusie getrokken dat het Uwv thans bij de beoordeling in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellant geldende beperkingen bij het vaststellen van de FML. Het gestelde in het rapport van het Neuro-Orthopaedisch Centrum van 4 november 2011 werpt geen ander licht op de zaak. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellant, rekening houdend met de vastgestelde functionele mogelijkheden in staat moet worden geacht om de hem voorgehouden functies te vervullen.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) Z. Karekezi

RK