Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
11-2557 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag binnen proeftijd. De feiten en omstandigheden leveren voldoende grond op voor het standpunt van het college dat het functioneren van appellante in juli/augustus 2009 tekortkomingen vertoonde op het gebied van het aansturen en bejegenen van de onder haar leiding werkende medewerkers schoonmaak en van de communicatie met medewerkers van de opdrachtgever. Dat appellante pas eind augustus 2009 met de kritiek op haar functioneren zou zijn geconfronteerd, is gezien de verklaringen van H over de signalen die hij over appellante ontving en de frequentie van het werkoverleg niet aannemelijk. Van belang is ook dat door het optreden van appellante in de richting van de medewerkers van [opdrachtgever] de relatie van Roteb met deze externe klant onder druk kwam te staan. Het college heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat appellante niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen. Dat zij binnen afzienbare tijd alsnog daaraan zou kunnen voldoen, viel evenmin te verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2557 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2011, 10/2556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.M. Roozeboom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. Roozeboom heeft zich daarna als advocaat-gemachtigde aan appellante onttrokken.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.J. van der Vlist en F.C. van Hulst.

OVERWEGINGEN

1.1. Het college heeft appellante met ingang van 1 juli 2009 tijdelijk aangesteld met een proeftijd van twee jaar als uitvoerder schoonmaak bij het servicebedrijf Roteb. Appellante was tewerkgesteld bij de [opdrachtgever].

1.2. Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college, na een voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, de betaling van de bezoldiging aan appellante met ingang van 22 oktober 2009 gestaakt en appellante met toepassing van artikel 88, vierde lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam ontslag verleend met ingang van 7 november 2009.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van appellante tegen het staken van de bezoldiging gegrond verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft voor de motivering van het hoger beroep verwezen naar de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geding is de handhaving van een besluit ontslag te verlenen met ingang van een binnen de proeftijd gelegen tijdstip. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer CRvB 22 april 2010, LJN BM3706 en TAR 2010, 103) is de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend en beperkt deze zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan geschreven of ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen, tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel is gekomen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Omdat appellante korte tijd na het begin van haar aanstelling ontslag is verleend, dient bij de beantwoording van deze vraag te worden betrokken of het college in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat zij ook niet binnen afzienbare tijd aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen zou kunnen voldoen.

4.2. In dit verband komt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende naar voren.

4.2.1. Appellante had bijna dagelijks werkoverleg met haar leidinggevende H. In juli 2009 coachte H haar in het omgaan met medewerkers met een indicatie voor de sociale werkvoorziening. H ontving al enkele weken na het aantreden van appellante signalen over de manier waarop zij haar medewerkers aanstuurde en heeft dit mondeling aan haar teruggekoppeld. Op 26 en 27 augustus 2009 heeft W, manager bij opdrachtgever [opdrachtgever], in e-mailberichten aan H melding gemaakt van een incident dat zich op 25 augustus 2009 heeft voorgedaan in de communicatie tussen appellante en een medewerker catering van [opdrachtgever]. Omdat hij zelf ook een dergelijke aanvaring met appellante heeft gehad, was voor W met dit incident de maat vol. Hij zag voor appellante geen plaats meer binnen [opdrachtgever]. In een gesprek op 3 september 2009 over de afwezigheid van appellante op 28 en 31 augustus 2009 en het conflict bij [opdrachtgever] heeft appellante het ontstaan van de situatie in [opdrachtgever] volledig toegeschreven aan het niet goed functioneren van haar team en het gebrek aan begeleiding. Zij verklaarde geen conflict met W te hebben gehad, maar wel tegen hem te hebben gezegd dat zij zich niet als een kind van 12 laat bejegenen en niet op die manier benaderd wenst te worden. H kwam tot de slotsom dat appellante niet op haar plek zat bij [opdrachtgever] en heeft haar voorstellen gedaan voor beëindiging van het dienstverband; in afwachting van haar reactie zou appellante een andere werkplek krijgen.

4.2.2. Appellante heeft zich begin september 2009 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft appellante op 9 september 2009 met inachtneming van een time-out van een week volledig arbeidsgeschikt verklaard, ervan uitgaande dat zij en H zich zullen buigen over een oplossing van het conflict. Het college droeg appellante daarna op zich op 17 september 2009 bij H te melden, waarbij zij er rekening mee moest houden op een andere werkplek te worden tewerkgesteld. Appellante heeft zich in reactie daarop beroepen op haar arbeidsongeschiktheid en te kennen gegeven dat zij op 17 september 2009 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een aanvraag had gedaan voor een deskundigenoordeel. Het college heeft de afwezigheid van appellante uit coulance vooralsnog niet als ongeoorloofd beschouwd, op voorwaarde dat zij per omgaande een kopie van de aanvraag van het deskundigenoordeel zou opsturen. Het verzoek om deze kopie op te sturen is op 29 september 2009 herhaald. Appellante heeft hier niet op gereageerd. Het deskundigenoordeel van 16 november 2009 hield in dat appellante begin september 2009 wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk als uitvoerder schoonmaak.

4.3. De onder 4.2.1 vermelde feiten en omstandigheden leveren voldoende grond op voor het standpunt van het college dat het functioneren van appellante in juli/augustus 2009 tekortkomingen vertoonde op het gebeid van het aansturen en bejegenen van de onder haar leiding werkende medewerkers schoonmaak en van de communicatie met medewerkers van opdrachtgever [opdrachtgever]. De in bezwaar overgelegde verklaringen van enkele medewerkers van Roteb bevestigen de conclusie dat appellante haar medewerkers aanstuurde op een wijze die onvoldoende aansloot bij de samenstelling van deze groep. Dat appellante pas eind augustus 2009 met de kritiek op haar functioneren zou zijn geconfronteerd, is gezien de verklaringen van H over de signalen die hij over appellante ontving en de frequentie van het werkoverleg niet aannemelijk. Van belang is ook dat door het optreden van appellante in de richting van de medewerkers van [opdrachtgever] de relatie van Roteb met deze externe klant onder druk kwam te staan.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat appellante niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen. Dat zij binnen afzienbare tijd alsnog daaraan zou kunnen voldoen, viel evenmin te verwachten. Bij dit laatste oordeel weegt mee dat appellante de kritiek op haar functioneren steeds van de hand heeft gewezen en dat zij op het herhaalde verzoek om een kopie van de aanvraag voor een deskundigenoordeel op te sturen in het geheel niet heeft gereageerd. Gezien deze opstelling van appellante is niet aannemelijk dat binnen afzienbare tijd een reële kans bestond op verbetering in haar functioneren. De eerst in bezwaar door appellante betrokken stelling dat het aanvragen van een deskundigenoordeel elektronisch gaat, maakt wat daarvan verder ook zij, niet dat er geen mogelijkheid was van de aanvraag een bewijs in te sturen, bijvoorbeeld in de vorm van een printafdruk van de aanvraag.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.J. van de Griend en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD