Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
11-4561 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Zeer ernstig plichtsverzuim. Appellant vervulde als hoofdagent een voorbeeldfunctie en heeft er onvoldoende blijk van gegeven zich daarvan bewust te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4561 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2011, 11/2313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de korpsbeheerder heeft mr. E. Nijhof een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijhof en mr. A.E.M. van Wessum.

OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is sinds 1 oktober 2001 werkzaam geweest als (aspirant) agent van politie. Met ingang van 16 oktober 2006 is appellant benoemd in de rang van hoofdagent en sinds 2007 is hij werkzaam als taakaccenthouder huiselijk geweld bij het bureau [naam bureau].

1.3. Naar aanleiding van aangifte tegen appellant door K, de echtgenote van appellant, ter zake van poging tot doodslag, zware mishandeling en huiselijk geweld en door O, de ex-vriend van K, ter zake van bedreiging met een misdrijf tegen het leven, is appellant op 27 juni 2010 aangehouden. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Bij besluit van

28 juni 2010 is appellant geschorst en is hem de toegang tot de dienstlokalen en -terreinen ontzegd.

1.4. Appellant is op 16 september 2010 door de politierechter veroordeeld wegens mishandeling van K en bedreiging van O tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. In zijn arrest van 1 februari 2012 heeft het gerechthof ’s-Gravenhage het vonnis van de politierechter met overneming van gronden bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan.

1.5. De korpsbeheerder heeft appellant bij besluit van 27 oktober 2010 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met ingang van 15 november 2010. Bij besluit van 4 februari 2011 (bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft op 4 juli 2012 een stuk ingezonden. Nu dat stuk niet voor de aanvang van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen is ontvangen, zal de Raad dit stuk, tegen kennisneming waarvan de korpsbeheerder bezwaar heeft gemaakt en met de inzending waarvan in strijd is gehandeld met de regels van een goede procesorde, buiten beschouwing laten. Om dezelfde reden zijn ook de stukken die waren aangehecht aan de ter zitting overgelegde pleitnota van mr. Bosch buiten beschouwing gelaten.

3.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. In het bijzonder wordt gewezen op de door de rechtbank geciteerde verklaring van appellant, het rapport van de forensisch arts H van 28 juni 2010 en de aangiftes en verhoren van K en O. Voorts wordt, naar ook ter zitting nog uitdrukkelijk is verklaard, door appellant niet (langer) bestreden dat van mishandeling/huiselijk geweld sprake is geweest. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aan appellant verweten gedragingen als zeer ernstig plichtsverzuim zijn aan te merken.

3.3. Het betoog dat appellant zijn echtgenote niet met de dood heeft bedreigd kan appellant in dit verband niet baten, nu deze bedreiging niet aan het strafontslag ten grondslag is gelegd.

3.4. De stelling van appellant dat hij O niet heeft bedreigt, kan evenmin tot een andere uitkomst leiden. Appellant heeft immers niet weersproken dat hij de uitspraken, zoals die zijn weergegeven in het arrest van het gerechtshof van

1 februari 2012, feitelijk heeft gedaan. De Raad ziet, wat er verder ook zij van het betoog van appellant over de vraag hoe zijn uitlatingen strafrechtelijk zijn te kwalificeren, geen reden om de korpsbeheerder en de rechtbank niet te volgen in hun conclusie dat ook in zoverre van ernstig plichtverzuim sprake is.

3.5. De aangevoerde gronden geven geen aanleiding om te twijfelen aan de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. Hieruit volgt dat de vraag resteert of de opgelegde straf niet onevenredig is te achten aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Daarbij is meegewogen dat appellant als hoofdagent een voorbeeldfunctie vervulde en er onvoldoende blijk van heeft gegeven zich daarvan bewust te zijn. Dit geldt te meer, omdat appellant als taakaccenthouder huiselijk geweld werkzaam was. Daarbij is niet van belang of appellant in die laatste hoedanigheid direct in contact stond met slachtoffers en plegers van huiselijk geweld.

3.6. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat appellant voorafgaand aan het plichtsverzuim goed heeft gefunctioneerd en dat het recidiverisico laag wordt ingeschat. Ook de omstandigheid dat het ontslag aanzienlijke, waaronder financiële, gevolgen heeft voor appellant en zijn gezin kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

3.7. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel en op het in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van discriminatie wijst de Raad als onvoldoende onderbouwd van de hand.

3.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.J. van de Griend en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD