Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
11-3081 AW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Uit de rechtspraak van de Raad over de intrekking van een door de ambtenaar gedaan ontslagverzoek, inhoudend dat de bekendmaking van de intrekking aan het bevoegd gezag vóórdat het ontslagbesluit is genomen ertoe leidt dat de grondslag aan een ontslag op verzoek is komen te ontvallen (CRvB 27 januari 1994, LJN ZB5046 en TAR 1994, 58 ), blijkt dat een ambtenaar een dergelijk ontslagverzoek mag intrekken. In lijn daarmee valt niet in te zien dat appellant niet het recht zou toekomen om van zijn ondertekening van de overeenkomst, waarmee hij in wezen een voorstel aan het college deed, terug te komen voordat het college zijn besluit had genomen. Dit oordeel brengt mee dat de grondslag is ontvallen aan de overeenkomst tussen appellant en het college. Het college heeft de aanwezigheid van een overeenkomst tussen appellant en het college dus ook ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit kan in rechte geen stand houden, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dit besluit ongegrond was verklaard. De Raad ziet aanleiding om het college op te dragen het gebrek in het besluit van 21 september 2009 te herstellen. Het college dient een inhoudelijk besluit te nemen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 maart 2007 (schorsing) en 29 mei 2007 (ontslag).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1785
TAR 2013/12
ABkort 2012/286

Uitspraak

11/3081 AW-T, 11/3082 AW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2011, 09/3836 en 09/3838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het verzet van appellant met registratienummer 10/5485 plaatsgevonden op

21 juni 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové en drs. M.A. Cranse.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in het hoger beroep respectievelijk het verzet afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 15 maart 2007 is appellant voor de duur van een maand geschorst en bij besluit van 29 mei 2007 is aan appellant ontslag verleend. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Tijdens de bezwaarfase heeft mediation plaatsgevonden. Op 5 maart 2008 hebben de deelnemers aan de mediation afspraken gemaakt over het treffen van een regeling die toegespitst was op het volgen van scholing en een deeltijddienstverband met het oog op begeleiding en stage. De op schrift gestelde tekst van de overeenkomst is door appellant (onder wijziging van punt 7.10) op 7 maart 2008 ondertekend. Op 10 maart 2008 heeft de directeur van de dienst Bestuur (directeur) het door appellant ondertekende exemplaar van de overeenkomst ondertekend met de handgeschreven toevoeging ‘onder voorbehoud van instemming door het college van B en W op 18/3/08’. Namens appellant is bij brief van

18 maart 2008 aan het college meegedeeld dat en waarom hij door de geciteerde toevoeging niet akkoord gaat met deze overeenkomst. Het college is verzocht zijn instemming aan die overeenkomst te onthouden. Het college heeft vervolgens op 18 maart 2008 instemming gegeven aan de overeenkomst.

1.4. Na een tweede hoorzitting bij de Bezwarenadviescommissie personeelsaangelegenheden Gemeente Hilversum heeft het college bij het besluit van 21 september 2009 (bestreden besluit) de bezwaren tegen de schorsing en het ontslag niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van processueel belang.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Voor zover in hoger beroep van belang heeft de rechtbank kort samengevat geoordeeld, dat appellant gebonden was aan de gemaakte afspraken. De rechtbank achtte de afspraken voorts niet onredelijk en oordeelde ook dat het niet onredelijk was dat het college appellant aan de gemaakte afspraken wilde houden. Dus mocht het college de overeenkomst ten grondslag leggen aan de weigering om het schorsing- en ontslagbesluit te herroepen.

2. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat door de toevoeging van het voorbehoud van instemming door het college zijn deelname aan een speciaal belangrijke opleiding is mislukt. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 oktober 2011, LJN BT8812 en AB 2011, 374) worden de afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband, neergelegd in een overeenkomst tussen een ambtenaar en zijn bevoegde gezag, aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bevoegd gezag toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo’n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid dat niet alleen geldt voor het bestuursorgaan maar ook voor de ambtenaar. Een dergelijke overeenkomst is niet alleen denkbaar vóórdat er een ontslagbesluit is genomen, maar ook nadien, zoals hier in de fase waarin nog een bezwaar loopt tegen een al verleend ontslag.

3.2. Gelet op het onder 1.3 vermelde en door beide partijen onderschreven verloop van de gebeurtenissen staat vast, dat het college pas instemming heeft gegeven aan de overeenkomst nadat appellant had meegedeeld dat hij van de overeenkomst afzag. De namens het college op 5 maart 2008 bij de bespreking optredende gemachtigden hadden geen mandaat om namens het college bindende toezeggingen te doen of besluiten te nemen en hebben zulks ook niet gedaan. Vanwege het ontbrekende mandaat heeft de directeur op 10 maart 2008 ook een voorbehoud toegevoegd aan haar handtekening.

3.3. Dit betekent dat er noch tijdens de bespreking op 5 maart 2008 noch door de handtekening van de directeur op

10 maart 2008 een overeenkomst tussen appellant en het college tot stand is gekomen. Het standpunt van het college, dat de instemming van het college als een formele aangelegenheid gold en dat er in wezen al een overeenkomst was door het fiat van de wethouder met de overeenkomst, kan de Raad niet volgen. Die opvatting zou het door de directeur toegevoegde voorbehoud van instemming door het college zinledig maken, terwijl de directeur het voorbehoud nu juist maakte vanwege het ontbreken van een mandaat voor het nemen van een besluit over de overeenkomst.

3.4. De Raad zal in het midden laten of en wanneer het in ambtenaarrechtelijke verhoudingen aan een van beide partijen vrijstaat om zich terug te trekken uit besprekingen, terwijl tussen gesprekspartners al vergaande overeenstemming is bereikt. Door de aanvulling van de tekst door de gemachtigde van het college, de directeur, kan niet gezegd worden, dat appellant zich heeft onttrokken aan hetgeen hij eerder jegens zijn gesprekspartners had geaccordeerd. De Raad merkt hierbij op dat partijen van mening verschillen over hetgeen over zo’n instemmingvoorbehoud op 5 maart 2008 is besproken of afgesproken, zodat hieraan geen betekenis toekomt.

3.5. Ten overvloede voegt de Raad hier nog aan toe dat aannemelijk is dat appellant groot belang had bij deelname aan met name de opleiding die begon op 11 maart 2008 en dat het late tijdstip van de ondertekening door de directeur, in samenhang met het instemmingvoorbehoud ertoe geleid hebben dat appellants inschrijving voor die opleiding is mislukt. De Raad acht het niet onbegrijpelijk dat door die mislukking de opvatting van appellant over de overeenkomst is gewijzigd.

3.6. Uit de rechtspraak van de Raad over de intrekking van een door de ambtenaar gedaan ontslagverzoek, inhoudend dat de bekendmaking van de intrekking aan het bevoegd gezag vóórdat het ontslagbesluit is genomen ertoe leidt dat de grondslag aan een ontslag op verzoek is komen te ontvallen (CRvB 27 januari 1994, LJN ZB5046 en TAR 1994, 58 ), blijkt dat een ambtenaar een dergelijk ontslagverzoek mag intrekken. In lijn daarmee valt niet in te zien dat appellant niet het recht zou toekomen om van zijn ondertekening van de overeenkomst, waarmee hij in wezen een voorstel aan het college deed, terug te komen voordat het college zijn besluit had genomen. Dit oordeel brengt mee dat de grondslag is ontvallen aan de overeenkomst tussen appellant en het college. Het college heeft de aanwezigheid van een overeenkomst tussen appellant en het college dus ook ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

3.7. Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dit besluit ongegrond was verklaard.

4. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in het besluit van 21 september 2009 te herstellen. Het college dient een inhoudelijk besluit te nemen op de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 maart 2007 (schorsing) en 29 mei 2007 (ontslag).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Draagt het college op om binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van

21 september 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. de Jong

HD