Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
12-1618 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellante is bij besluit van 14 juli 2010 per 1 mei 2011 ontslag verleend. De op 28 april 2011 gedane mededelingen zijn niet gericht op nieuw rechtsgevolg. Het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 14 juli 2010, is niet-ontvankelijk vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/13
ABkort 2012/292

Uitspraak

12/1618 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 februari 2012, 11/2918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Hoetink, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.V. Wannijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is van 19 maart 2007 tot 1 mei 2008 op uitzendbasis werkzaam geweest als [naam functie] bij het Commando DienstenCentra. Bij besluit van 19 mei 2008 heeft de minister appellante in deze functie aangesteld in tijdelijke dienst van 1 mei 2008 tot 1 mei 2009. Aansluitend heeft de minister aan appellante bij besluit van 14 april 2009 een tijdelijke aanstelling verleend van 1 mei 2009 tot 1 mei 2011 op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard).

1.2. Bij brief van 7 juli 2010 is aan appellante, na een gesprek op 1 juli 2010, bevestigd dat bij district [naam district] van de Bedrijfsgroep Catering, waar appellante normaliter werkzaam is, sprake is van overcapaciteit en dat het dienstverband daarom met ingang van 1 mei 2011 zal worden beëindigd. Bij besluit van 14 juli 2010 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat haar dienstverband op 1 mei 2011 zal aflopen, dat op grond van artikel 115, eerste lid, van het Bard het dienstverband met ingang van die datum zal eindigen en dat in verband hiermee aan appellante eervol ontslag wordt verleend. Op 28 april 2011 heeft een medewerkster van het ministerie van Defensie aan de gemachtigde van appellante telefonisch meegedeeld dat de tijdelijke aanstelling van appellante per 1 mei 2011 niet wordt omgezet in een vast dienstverband. In een nadien op dezelfde dag verzonden e-mail heeft de bedoelde medewerkster aan de gemachtigde van appellante meegedeeld dat het dienstverband van appellante bij besluit van 14 juli 2010 is beëindigd en dat appellante tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Bij brief van 29 april 2011 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen de op 28 april 2011 gedane mededeling dat haar tijdelijke aanstelling niet zal worden omgezet in een vaste aanstelling. Het bezwaar is bij besluit van 8 augustus 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat aan appellante bij besluit van 14 juli 2010 per 1 mei 2011 ontslag is verleend en dat de op 28 april 2011 gedane mededelingen niet zijn gericht op nieuw rechtsgevolg. Verder is vermeld dat het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 14 juli 2010, niet-ontvankelijk is vanwege

niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat de op 14 juli 2010 door de minister gedane mededeling onjuist was en niet was gericht op rechtsgevolg, aangezien reeds op 19 maart 2010 een vaste aanstelling was ontstaan. Daarbij heeft zij zich beroepen op de Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

3.2. De minister heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank, en anders dan appellante, is de Raad van oordeel dat de brief van 14 juli 2010 onmiskenbaar is gericht op rechtsgevolg, te weten het beëindigen van het dienstverband met ingang van 1 mei 2011, en dus moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat in de visie van appellante ten tijde van het besluit van 14 juli 2010 reeds een vaste aanstelling was ontstaan doet, wat daar verder van zij, aan het besluitkarakter van de mededeling niet af.

De Raad onderschrijft die visie van appellante overigens niet, nu artikel 7 van het Bard - anders dan artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek - geen gelijkstelling van de uitzendovereenkomst met een aanstelling op grond van het Bard inhoudt, en de genoemde Richtlijn, noch een andere Richtlijn, tot die gelijkstelling verplicht.

4.2. Voor zover het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 14 juli 2010, moet worden vastgesteld dat het ruimschoots na het verstrijken van de op grond van artikel 6:7 van de Awb geldende bezwaartermijn van zes weken is ingediend. Op basis van hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het besluit van 14 juli 2010 bevat een rechtsmiddelenclausule en het is niet gebleken dat appellante niet in staat was om, al dan niet met de hulp van derden, tijdig haar bezwaar kenbaar te maken tegen de beëindiging van het dienstverband per 1 mei 2011. Het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 14 juli 2010, is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

4.3. Verder volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat de op 28 april 2010 gedane mededelingen niet kunnen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dan wel als een voor beroep vatbare andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. Ook in zoverre is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. de Jong

HD