Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
12-581 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim. Appellant heeft met zijn gedrag inbreuk gemaakt op de kernwaarden zoals die gelden binnen de politieorganisatie van de korpsbeheerder, namelijk transparantie, betrouwbaarheid en integriteit en hij heeft het vertrouwen dat het politiekorps in hem moet kunnen stellen ernstig aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/581 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2011, 11/119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. A.M.I. Spauwen, advocaat. De korpsbeheerder, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, en drs. A.F. Quaedvlieg en T.J. Camp.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 15 januari 2007 als senior politiesurveillant werkzaam bij de regiopolitie Limburg-Noord, basiseenheid [naam basiseenheid]. In december 2009 heeft de korpsleiding vastgesteld dat appellant een bedrag van € 90,-, dat hij in juni 2009 contant had geïnd van een persoon met een buitenlandse nationaliteit die een verkeersovertreding had begaan, niet heeft afgedragen aan de administratie. De korpsleiding is vervolgens een disciplinair onderzoek gestart en in verband daarmee is appellant op 28 januari 2010 gehoord. Diezelfde dag zijn in de locker van appellant twee kennisgevingen van bekeuring aangetroffen die als gevolg van overschrijding van de uiterste inleverdatum niet meer konden worden geïnd. Op 11 februari 2010 en 3 maart 2010 is appellant wederom gehoord. Na een voornemen daartoe, heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 19 mei 2010 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim op grond van de artikelen 76, eerste lid, en 77, eerste lid aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Subsidiair is aan appellant eervol ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 7 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.2. Aan appellant worden de volgende gedragingen verweten:

a) dat hij een contant geïnde bekeuring van € 90,- niet heeft afgedragen, dat het bedrag is zoekgeraakt en appellant de vermissing bewust heeft verzwegen;

b) dat hij twee kennisgevingen van bekeuring niet tijdig heeft afgehandeld met als gevolg dat inning niet meer mogelijk was;

c) dat hij zijn eigen parkeerboetes in de gemeente [naam gemeente] niet heeft betaald waardoor er loonbeslag dreigde; en

d) dat hij een opleidingsformulier ten behoeve van een te volgen cursus niet heeft ingestuurd waardoor het korps is belast met een schadebedrag van € 900,- aan de politieacademie.

2. Bij de aangevallen uitspaak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij de bekeuring van € 90,- heeft geïnd met een kwitantieboekje van een collega en daarom zou altijd boven water komen dat het bedrag niet was afgedragen. Nadat appellant had vastgesteld dat de enveloppe met het bedrag uit zijn locker was verdwenen, waarschijnlijk door hem weggegooid bij het uitruimen van zijn locker, is hij van plan geweest het bedrag uit eigen portemonnee te betalen. Appellant heeft voor zich uitgeschoven om melding te doen bij zijn leidinggevende, mede omdat hij een slechte verstandhouding met hem had. Van bewuste verzwijging was volgens appellant geen sprake en hij heeft het bedrag nooit opzettelijk willen wegnemen. De parkeerboetes waarvoor loonbeslag dreigde dateren uit 2007, zijn volgens appellant een

privéaangelegenheid en daarbij is het niet tot loonbeslag gekomen. Appellant meende dat invordering van bekeuringen twee jaar na dato op juridische gronden niet meer mogelijk is en door niet te betalen wilde hij beogen dat uiteindelijk werd afgezien van inning. Appellant trekt in twijfel of de korpsbeheerder het bedrag van € 900,- voor de cursus heeft moeten betalen, nu hij niet was geregistreerd op de lijst van deelnemers en hem is meegedeeld dat hij niet meer naar de cursus behoefde te gaan. De verweten gedragingen rechtvaardigen volgens appellant geen strafontslag. Appellant kan zich er niet in vinden dat de contacten met een minderjarige enige jaren geleden mede bepalend zijn voor de opgelegde disciplinaire straf. Tot slot meent appellant dat hij meer uitdrukkelijk op zijn recht op juridische bijstand had moeten worden gewezen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.

4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de korpsbeheerder het niet afdragen en de verzwijging van de vermissing van het geldbedrag terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij weegt zwaar dat het voor de integriteit en betrouwbaarheid van het politiekorps bovenal van wezenlijk belang is dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat politieambtenaren bij het uitoefenen van hun bevoegdheden de voorgeschreven procedures volgen, dat met aan die ambtenaren betaalde bedragen overeenkomstig de voorschriften wordt gehandeld en dat die worden afgedragen.

De omstandigheid dat het innen van de boete door appellant is aangetekend in een kwitantieboekje, waardoor op enig moment zou kunnen worden vastgesteld dat hij het bedrag niet had afgedragen, neemt niet weg dat de vermissing is vastgesteld tijdens een disciplinair onderzoek en appellant voordien gedurende zeven maanden niet uit eigen beweging een oplossing heeft gezocht. De korpsbeheerder heeft dit gedrag terecht als bijzonder laakbaar aangemerkt en het vertrouwen dat het korps in appellant moet kunnen hebben is hierdoor ernstig geschaad.

4.3. Het niet tijdig afhandelen van de twee kennisgevingen van bekeuringen die in de locker van appellant zijn aangetroffen, met als consequentie dat die niet meer konden worden geïnd, is strijdig met de hoge eisen van betrouwbaarheid die voor een ambtenaar van politie gelden met name waar het contact met de samenleving betreft. Door het uitschrijven, maar niet innen van bekeuringen worden het aanzien en de geloofwaardigheid van de politie bij de burgers in de maatschappij ernstig aangetast. Het vertrouwen dat de korpsbeheerder moet kunnen hebben in de uitvoering van de werkzaamheden door politieambtenaren, is hierdoor aangetast en hij heeft dit gedrag van appellant terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

4.4. Appellant heeft de situatie laten ontstaan dat de korpsbeheerder in september 2009 door de gemeente [naam gemeente] is geconfronteerd met een zestal niet betaalde bekeuringen voor fout parkeren in 2007 waarvoor loonbeslag dreigde. Nadat appellant daarop is aangesproken, heeft hij de bekeuringen voldaan. De Raad volgt de korpsbeheerder in zijn standpunt dat van een politieambtenaar mag en moet worden verwacht dat hij zich onthoudt van gedragingen die aanleiding kunnen geven tot toepassing van de maatregelen en beslag waar het betreft het aanzien van het politieapparaat. Daarmee heeft appellant niet alleen zijn eigen integriteit en betrouwbaarheid, maar ook dat van het politieapparaat in de waagschaal gesteld. De Raad heeft daarbij mede van belang geacht dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de boetes en gewacht heeft tot twee jaar waren verstreken met de intentie de boetes niet meer te behoeven voldoen. De overwegingen van de rechtbank kunnen worden onderschreven.

4.5. Door appellant is niet tegengesproken dat hij het opleidingsformulier niet heeft ingestuurd. Op grond van de gedingstukken is echter onvoldoende vast komen te staan dat het nalaten daarvan ertoe heeft geleid dat de korpsbeheerder een bedrag van € 900,- heeft moeten betalen aan de politieacademie. De korpsleiding heeft appellant de kans ontnomen om het formulier alsnog in te sturen, terwijl dat wel als mogelijkheid voor herstel is genoemd door de medewerker opleidingen regio Limburg-Noord. Vervolgens is hem verboden nog naar de cursus te gaan. Dit in aanmerking nemend kan niet tot de conclusie worden gekomen dat het uitsluitend het gedrag van appellant is geweest dat tot de schadepost heeft geleid. Deze gedraging kan dan ook niet als plichtsverzuim worden aangemerkt.

4.6. Niet is gebleken dat de verweten gedragingen voor zover die plichtsverzuim opleveren, niet aan appellant kunnen worden toegerekend.

4.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het plichtsverzuim gezien de aard en omvang zodanig ernstig is dat strafontslag niet onevenredig is. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van doorgaand gedrag in verband met de berisping die appellant heeft gekregen in verband met seksueel contact buiten werktijd met een minderjarig meisje dat hij beroepsmatig had leren kennen. Van doorgaand gedrag is sprake als een zelfde of soortgelijk plichtsverzuim is begaan. Alhoewel het in de basis gaat om integriteitschendingen, is het gedrag van appellant dat nu als plichtsverzuim is verweten onvoldoende soortgelijk. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is hier geen sprake van doorgaand gedrag. Het vorenstaande neemt niet weg dat het onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het nu vastgestelde plichtsverzuim. Appellant heeft met dit gedrag inbreuk gemaakt op de kernwaarden zoals die gelden binnen de politieorganisatie van de korpsbeheerder, namelijk transparantie, betrouwbaarheid en integriteit en hij heeft het vertrouwen dat het politiekorps in hem moet kunnen stellen ernstig aangetast.

4.8. De stelling van appellant dat hij in zijn rechtspositionele belangen is geschaad en dat het besluit strijdig is met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, omdat er geen juridisch gemachtigde bij de verhoren aanwezig was, volgt de Raad niet. Appellant is tijdens het eerste gesprek gewezen op de mogelijkheid van een raadsman en bij het derde gesprek in ieder geval op zijn zwijgrecht. Van ongeoorloofde druk op appellant is niet gebleken en appellant heeft de juistheid van de door hem afgelegde verklaringen niet bestreden. Verder is hij nadien voldoende in de gelegenheid geweest om met bijstand van zijn raadsman zijn standpunt, motieven en bezwaren uiteen te zetten.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van de korpsbeheerder tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspaak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.C. Nijholt

HD