Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
10-294 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is geen grond om anders te oordelen waar het gaat om de toepassing van het per 1 juli 2008 gewijzigde bovenwettelijke werkloosheidsstelsel van de CAR/UWO. In hoofdstuk 10d zijn de voorzieningen opgenomen bij werkloosheid wegens ontslag op grond van één van de artikelen 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Deze voorzieningen omvatten in beginsel zowel een aanvullende uitkering (paragraaf 5), die loopt naast de WW uitkering, als een na wettelijke uitkering (paragraaf 6), die op de WW uitkering aansluit. Het stond het college dan ook niet vrij om appellant de aanspraak op een na-wettelijke uitkering te onthouden. Dit wordt niet anders doordat het college aan appellant, in plaats van de na wettelijke uitkering, een outplacement-traject heeft toegekend. Appellant heeft voor deze uitruil geen toestemming gegeven. Bij gebreke daarvan kan outplacement in het kader van de ontslagregeling niet met de na wettelijke uitkering op één lijn worden gesteld, nog daargelaten of het aangewezen traject inhoudt dat appellant bij het betrokken outplacement-bureau in tijdelijke dienst zou moeten treden en daarmee uitkeringsrechten verspeelt. Niet kan worden staande gehouden dat, bij afweging van alle feiten en omstandigheden, het verwijt aan het college de doorslag moet geven. Kent aan appellant de garantie toe op een uitkering ingevolge de WW, een aanvullende uitkering als bedoeld in de artikelen 10d10 en volgende van de CAR/UWO, een en ander alsof ten gevolge van het ontslag geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/178
Module Ambtenarenrecht 2013/1479
Module Ambtenarenrecht 2013/1351

Uitspraak

10/294 AW, 10/6969 AW, 11/2061 AW, 12/1056 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Roermond van:

- 11 december 2009, 08/1620 (aangevallen uitspraak 1)

- 1 december 2010, 10/1126 (aangevallen uitspraak 2)

- 29 maart 2011, 10/1127 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

Datum uitspraak: 2 augustus 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 3 november 2011 een tussenuitspraak gedaan.

Het college heeft op 20 december 2011 een nieuw besluit genomen.

Appellant heeft schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. Appellant is verschenen met bijstand van

mr. J. Lamme. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en door mr. M.H.P. Lucassen

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 3 november 2011 (tussenuitspraak).

2. De beoordeling en de weigering van studiefaciliteiten

2.1. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 3 heeft de rechtbank de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Zoals in de tussenuitspraak is aangekondigd, zullen die uitspraken worden bevestigd.

3. Het ontslag per 1 november 2010

3.1. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 27 juli 2010 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

3.2. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat de primaire ontslaggrond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functievervulling, anders dan op grond van ziekten of gebreken, geen stand kan houden omdat het college aan appellant niet de voor een ontslag op die grond vereiste verbeterkans heeft geboden. Wat betreft de subsidiaire ontslaggrond van ernstig en duurzaam verstoorde verhoudingen, heeft de Raad in zijn tussenuitspraak geoordeeld dat het college bevoegd was om appellant met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO te ontslaan. De Raad overwoog echter tevens dat in artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO is voorgeschreven dat voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 wordt ontslagen een passende regeling wordt getroffen. Bij het primaire ontslagbesluit is weliswaar een voornemen tot het treffen van een dergelijke regeling geuit, over welk voornemen het college voornemens is appellant te horen, maar nu een en ander geen gestalte heeft gekregen, kleeft aan het subsidiair verleende ontslag een gebrek. De Raad heeft het college met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen dit gebrek in bestreden besluit 2 te herstellen, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

3.3. Bij het nieuwe besluit van 20 december 2011 heeft het college, ter uitvoering van deze opdracht, appellant bij wijze van passende regeling als bedoeld in artikel 10d:4 van de CAR/UWO (een garantie op) een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, aangevuld met een bovenwettelijke aanvullende uitkering op de voet van hoofdstuk 10d, paragraaf 5, van de CAR/UWO, met daaraan toegevoegd een door het college te bekostigen traject waarbij appellant, hetzij via het bureau Cambiare, hetzij via het bureau P&O Services Groep, met ingang van een nog nader te bepalen datum voor een periode van één jaar met behoud van salaris in een mobiliteitstraject wordt geplaatst.

3.4. Blijkens zijn schriftelijke zienswijze kan appellant zich niet (geheel) met het nieuwe besluit verenigen. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

3.6. Appellant bestrijdt dat hij, naar in rechtsoverweging 3.2.5 van de tussenuitspraak is overwogen, de door het college gestelde ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding niet zou hebben weersproken. Dit is volgens appellant wel degelijk gebeurd, en wel bij het bezwaar en het aanvullend beroepschrift bij de rechtbank, waarnaar in hoger beroep is verwezen. Deze stelling kan echter - wat er verder van zij - geen aanleiding geven om van het in de tussenuitspraak neergelegde oordeel terug te komen.

3.7. Appellant heeft aangevoerd dat de in het nieuwe besluit getroffen ontslagregeling niet passend is. Onder een passende regeling in de zin van artikel 10d:4 van de CAR/UWO moet volgens appellant in ieder geval worden verstaan (de garantie op) het geheel aan uitkeringsrechten waarop hij reeds aanspraak heeft vanwege het hem verleende ontslag op grond van artikel 8:6. Dat wil zeggen: niet alleen de WW-uitkering en de aanvullende uitkering, maar ook de na wettelijke uitkering op grond van de CAR/UWO. Door bij het outplacementbureau in dienst te treden, zou hij zijn uitkeringsrechten in gevaar brengen. Bovendien is de aanleiding tot het ontslag in overwegende mate aan het college te wijten. Ook dit zou in de ontslagregeling tot uitdrukking moeten worden gebracht, aldus appellant.

3.8. Het college heeft, in aanvulling op de motivering van het nieuwe besluit, uiteengezet dat het outplacement-traject is toegekend in plaats van (de garantie op) de na-wettelijke uitkering. Indien het lukt om appellant naar nieuw werk toe te geleiden, levert dit een win-win-situatie op. Voor het toekennen van meer dan de minimaal verplichte ontslagregeling ziet het college geen aanleiding, omdat de verstoring van de verhoudingen veel meer aan appellant dan aan het college is toe te rekenen.

3.9. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt het beginsel van een behoorlijke belangenafweging met zich dat een ontslagverlening zoals hier aan de orde in het algemeen gepaard dient te gaan met toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen op grond van de WW en de regeling(en) inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW (CRvB 2 maart 2006, LJN AV3953).

3.9.1. Er is geen grond om hierover anders te oordelen waar het gaat om de toepassing van het - hier aan de orde zijnde - per 1 juli 2008 gewijzigde bovenwettelijke werkloosheidsstelsel van de CAR/UWO. Daarbij is van belang dat in artikel 10d:4, derde lid, van de CAR/UWO uitdrukkelijk is bepaald dat het college bij de vaststelling van de ontslagregeling de inhoud van dit hoofdstuk betrekt, voor zover dit redelijk is. In hoofdstuk 10d zijn de voorzieningen opgenomen bij werkloosheid wegens ontslag op grond van één van de artikelen 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Deze voorzieningen omvatten in beginsel zowel een aanvullende uitkering (paragraaf 5), die loopt naast de WW uitkering, als een na wettelijke uitkering (paragraaf 6), die op de WW uitkering aansluit.

3.9.2. Het stond het college dan ook niet vrij om appellant de aanspraak op een na-wettelijke uitkering te onthouden. Dit wordt niet anders doordat het college aan appellant, in plaats van de na wettelijke uitkering, een outplacement-traject heeft toegekend. Appellant heeft voor deze uitruil geen toestemming gegeven. Bij gebreke daarvan kan outplacement in het kader van de ontslagregeling niet met de na wettelijke uitkering op één lijn worden gesteld, nog daargelaten of het aangewezen traject inhoudt dat appellant bij het betrokken outplacement-bureau in tijdelijke dienst zou moeten treden en daarmee uitkeringsrechten verspeelt.

3.10. De stelling van appellant dat het college niet met de onder 3.9 bedoelde minimum-regeling had mogen volstaan, treft geen doel. Er is onvoldoende grond voor het oordeel dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Appellant heeft deze situatie in het leven geroepen doordat hij zich niet van het oude arbeidsconflict heeft weten los te maken. Vervolgens heeft het college zich onvoldoende bereid en in staat getoond om aan het weer oplaaiende conflict anders dan door middel van ontslag een einde te maken. Niet kan worden staande gehouden dat, bij afweging van alle feiten en omstandigheden, het verwijt aan het college de doorslag moet geven.

3.11. De conclusie van het vorenstaande is, dat de aangevallen uitspraak 2, het bestreden besluit 2 - wat betreft het ontbreken van een ontslagregeling - en het nieuwe besluit van 20 december 2011 moeten worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door aan het ontslag alsnog de minimaal vereiste ontslagregeling te verbinden.

3.12. Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade, waaronder pensioenschade en schade aan zijn goede naam en gezondheid. Hij heeft echter geen schadeposten genoemd die kunnen worden toegerekend aan het gebrek dat tot vernietiging van de besluiten van het college heeft geleid, te weten het ontbreken van een genoegzame ontslagregeling. Door de onder 3.11 omschreven beslissing van de Raad wordt dit gebrek hersteld. Eventuele nabetalingen zullen moeten plaatsvinden onder toekenning van de wettelijke rente. Het bestaan van verdere, nog voor vergoeding in aanmerking komende schade is niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

4. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant. Het verzoek van appellant om vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet in een forfaitaire vergoeding en de Raad ziet geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat daarvan in dit geval wordt afgeweken. De zaak is ook niet van meer dan gemiddeld gewicht. Daarvan uitgaande, komen voor vergoeding in aanmerking de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 874,-, de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 874,- en de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 1.311,-, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede reiskosten tot een bedrag van € 82,76, dus in totaal € 3.141,76.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 3;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 27 juli 2010 gegrond en vernietigt dit

besluit voor zover daarbij aan het ontslagbesluit niet alsnog een ontslagregeling is

verbonden;

- vernietigt het besluit van 20 december 2011;

- kent aan appellant ter zake van het ontslag toe: de garantie op een uitkering ingevolge de

WW, een aanvullende uitkering als bedoeld in de artikelen 10d:10 en volgende van de

CAR/UWO en een na wettelijke uitkering als bedoeld in de artikelen 10d:12 en volgende

van de CAR/UWO, een en ander alsof ten gevolge van het ontslag geen sprake is van

verwijtbare werkloosheid, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.141,76;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.C. Nijholt

HD