Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
11-3773 AW-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Geen hoger beroep mogelijk tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, Awb. Geen reden voor doorbreking van dit appelverbod. In de eerste plaats is van belang dat de aangevallen uitspraak geen beslissing in de hoofdzaak inhoudt, maar - slechts - betrekking heeft op een verzoek om voorlopige voorziening. Bovendien geldt dat, ook als appellante gevolgd wordt in haar betoog dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om uitspraak te doen zonder zitting, daarmee nog niet voldoende grond is geboden voor het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en het recht op een eerlijk proces dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is. De gebruikmaking van de bevoegdheid om van een mondelinge behandeling af te zien levert op zichzelf geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor dan wel van het recht op een eerlijk proces, terwijl de voorzieningenrechter van de rechtbank uit de overgelegde stukken kennis heeft kunnen nemen van de standpunten die partijen over en weer hebben ingenomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:83, geldigheid: 2012-08-02
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 2012-08-02
Beroepswet 18, geldigheid: 2012-08-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/230
ABkort 2012/287

Uitspraak

11/3773 AW-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 mei 2011, 11/1384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Staatsecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 14 juli 2011 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard van het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft appellante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Hoetink, advocaat. De minister is niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 21 juni 2012, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hoetink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.V. Wannijn.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 14 juli 2011 berust op de overwegingen dat in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep kan worden ingesteld en dat er geen reden is voor doorbreking van dit appelverbod.

In verzet heeft appellante het standpunt ingenomen dat er wel reden is voor doorbreking van het wettelijk appelverbod. Daartoe heeft zij aangevoerd, kort samengevat, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, van een behandeling ter zitting af te zien. Volgens appellante is hiermee in strijd gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor en levert dit een zodanige schending op van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest.

De Raad volgt appellante hierin niet. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de aangevallen uitspraak geen beslissing in de hoofdzaak inhoudt, maar - slechts - betrekking heeft op een verzoek om voorlopige voorziening. Bovendien geldt dat, ook als appellante gevolgd wordt in haar betoog dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om uitspraak te doen zonder zitting, daarmee nog niet voldoende grond is geboden voor het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en het recht op een eerlijk proces dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is. De gebruikmaking van de bevoegdheid om van een mondelinge behandeling af te zien levert op zichzelf geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor dan wel van het recht op een eerlijk proces, terwijl de voorzieningenrechter van de rechtbank uit de overgelegde stukken kennis heeft kunnen nemen van de standpunten die partijen over en weer hebben ingenomen.

Gezien het voorgaande moet het verzet ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J. de Jong

HD