Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10-6846 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW-uitkering. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de omschrijving van (de belastende kenmerken van) de door appellant laatstelijk verrichte werkzaamheden. Zorgvuldig onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6846 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 november 2010, 10/4836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. M.M.G. de Wit, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en [naam echtgenote], werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.H. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als uitzendkracht bij Adecco personeelsdiensten, laatstelijk in het werk als operator van machines voor folders invouwen gedurende gemiddeld 30/35 uur per week. Op 27 januari 2009 is appellant uitgevallen voor dit werk wegens klachten van gevoelloosheid en krachtsverlies aan de rechterarm. Appellant is in verband hiermee meerdere malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 11 maart 2010.

De verzekeringsarts heeft appellant toen - mede op basis van verkregen informatie van de appellant behandelend neuroloog van 16 november 2009 en van een arbeidsdeskundige van 22 januari 2010 - per 15 maart 2010 geschikt geacht voor het eigen werk.

2. Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld, dat appellant met ingang van 15 maart 2010 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts neergelegd in haar rapportage van 3 juni 2010 en van een bezwaararbeidsdeskundige neergelegd in een rapportage 25 mei 2010 - bij besluit van 4 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op basis van uitvoerig weergegeven overwegingen geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Uit de beschreven onderzoeken zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te komen. De rechtbank heeft in de door appellant overgelegde informatie van 17 juni 2010 van de behandelend anesthesioloog/pijnbehandelaar R.L. van Leersum geen reden gezien voor twijfel aan het oordeel van de beide verzekeringsartsen. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de omschrijving door beide arbeidsdeskundigen van (de belastende kenmerken van) de door appellant laatstelijk verrichte werkzaamheden.

5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat nagelaten is te motiveren waarom het Uwv appellant na ruim een jaar wel geschikt acht voor zijn werk. Appellant ervaart dusdanige klachten aan zijn nek en schouders, die doorstralen naar zijn keel en borst, dat hij zijn eigen functie ten tijde van de datum in geding niet kan verrichten. Gebleken is dat deze klachten terug te voeren zijn op het syndroom van Tietze, een chronische ontsteking van het kraakbeen rondom de borstkas. Verder ziet appellant niet in waarom het Uwv de effecten van de behandeling bij Van Leersum niet heeft afgewacht. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de inschatting van de belasting in zijn eigen werk niet juist is. De arbeidsdeskundige heeft alleen navraag gedaan bij iemand van het uitzendbureau die nooit bij appellant op het werk is geweest. De pakketten folders die appellant moet sjouwen zijn regelmatig rond de negen kilo, hetgeen de belastbaarheid van appellant ver te boven gaat.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek en recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van operator van machines voor kranten en folders invouwen.

6.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de omschrijving van (de belastende kenmerken van) de door appellant laatstelijk verrichte werkzaamheden zoals weergegeven in de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen van 22 januari 2010 en 25 mei 2010. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarbij toegelicht dat een stapeltje folders minder dan één kilo weegt omdat de hoeveelheid zelf gereguleerd kan worden. Gelet op een normaal werktempo zal volgens de bezwaararbeidsdeskundige een frequentie tot maximaal 600 keer per uur circa 500 gram een redelijke benadering van de belasting geven. De - overigens voor het eerst in hoger beroep - aangevoerde grond dat de stapels folders regelmatig rond de negen kilo wegen acht de Raad niet aannemelijk, nu appellant dat zelf kan reguleren.

6.3. Ook hetgeen overigens door appellant is aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is dan ook geen aanleiding het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig en onvolledig te achten. Beide artsen hebben appellant gezien op het spreekuur en lichamelijk onderzocht. Verder is rekening gehouden met informatie van de behandelend neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband aangegeven dat blijkens neurologisch onderzoek geen sprake is van evidente bewegingsbeperkingen en dat aanvullend onderzoek geen aanwijzingen liet zien voor een HNP (hernia). De door de neuroloog vastgesteld lichte CTS rechts is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen, omdat appellant bij onderzoek een normale kracht in de beide handen heeft en de sensibiliteit aan armen en handen intact is. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de belastbaarheid van appellant vergeleken met de in de eigen functie voorkomende kenmerkende belastingen zoals aangegeven door de bezwaararbeidsdeskundige en geconcludeerd dat appellant geschikt te achten is voor zijn arbeid. Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. De in hoger beroep aangevoerde grond dat bij appellant het syndroom van Tietze is gediagnosticeerd werpt geen ander licht op de zaak. Het feit dat appellant op de wachtlijst staat voor een operatieve ingreep is geen reden om arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

6.4. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3.volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV