Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
11-932 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. Het Uwv heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante niet ongeschikt kan worden geacht voor de functies van voedingsassistente en gordijnnaaister

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/932 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2010, 10/390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Voor appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster toen zij op 25 december 2000 is uitgevallen met psychische klachten, rug- en schouderpijn en duizeligheid. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft deze uitkering bij besluit van 29 maart 2007 per 29 mei 2007 ingetrokken. Aan dit besluit ligt de motivering ten grondslag dat het Uwv appellante ongeschikt achtte voor haar werk als schoonmaakster, maar dat zij geschikt is te achten voor een drietal geduide functies. Aansluitend ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft zij zich twee maal ziek gemeld, voor het laatst per 29 september 2009 met pijnklachten aan handen, schouders, rug en benen en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante op 24 november 2009 het spreekuur bezocht van bedrijfsarts S. Albers. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 26 november 2009 geschikt kan worden geacht voor ten minste één van de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 24 november 2009 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 26 november 2009 het recht op ziekengeld beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellante aan dat, zoals blijkt uit de informatie van de huisarts, bij haar sprake is van een carpaaltunnelsyndroom aan beide handen waardoor intensief gebruik van de handen op korte termijn niet haalbaar lijkt. In de eerder geduide functies van voedingsassistente en gordijnennaaister zal appellante veelvuldig haar handen moeten gebruiken, bij een bijzondere belasting wat betreft de pincetgreep, knijp- en grijpkracht en repetitieve handelingen. Hierbij is voorts ook sprake van een forse fysieke belasting wat betreft de frequentie van reiken en tilbelasting. Tevens voert appellante aan dat op grond van haar psychische klachten een urenbeperking moet worden aangenomen. Er is dan ook sprake van een verslechterde gezondheidssituatie.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enige arbeid heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de boordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

4.3. De door appellante aangevoerde - niet met medische informatie onderbouwde - gronden in hoger beroep geven geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de beperkingen zoals die door de bezwaarverzekeringsarts zijn aangenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bezwaarverzekeringsarts Tan appellante op het spreekuur van 14 december 2009 lichamelijk en psychisch heeft onderzocht en daarbij de informatie van de huisarts van 10 december 2009 heeft betrokken. Hieruit blijkt dat bij appellante sprake is van een hardnekkige sensibel carpaaltunnelsyndroom aan beide handen. Zoals blijkt uit het rapport van 18 december 2009 heeft Tan het carpaaltunnelsyndroom erkend en te kennen gegeven dat de hieruit voortvloeiende beperkingen zien op kracht zetten met de hand en met name op de functie van de eerste drie vingers. Ook is appellante beperkt te achten betreffende hoofdbewegingen maken naar links.

4.4. De belasting in de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies is door de bezwaarverzekeringsarts afgezet tegen de zo vastgestelde belastbaarheid, waarna Tan tot de conclusie is gekomen dat twee functies, te weten voedingsassistente en gordijnennaaister, voor appellante geschikt kunnen worden geacht. In de functie van gordijnennaaister is volgens de bezwaarverzekeringsarts kracht zetten niet vereist en in de functie van voedingsassistente komen geen beperkingen op de handfunctie voor. Met de psychische klachten van appellante is volgens de bezwaarverzekeringsarts reeds bij de eerdere WAO-beoordeling in voldoende mate rekening gehouden, zoals blijkt uit de toen vastgestelde beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren.

4.5. In het rapport van 10 december 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts ten slotte te kennen gegeven dat de brief van de huisarts van 4 juni 2010 geen nieuwe medische feiten bevat, nu de fysieke klachten en behandelingen tijdens de behandeling van het bezwaar reeds bekend waren.

4.6. Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante per 26 november 2009 niet ongeschikt kan worden geacht voor de functies van voedingsassistente en gordijnnaaister. Het Uwv heeft dan ook op juiste gronden het recht op ziekengeld met ingang van 26 november 2009 beëindigd.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV