Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
11-979 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen verergering van de lichamelijke en psychische klachten geconstateerd ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling. Geen aanwijzingen dat de medische geschiktheid van appellant voor de eerder geduide functies onjuist zou zijn beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/979 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 december 2010, 10/1563 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Voor appellant is verschenen mr. Groeneweg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als onderhoudsmedewerker, toen hij op 1 mei 2000 voor dit werk is uitgevallen met lichamelijke en psychische klachten. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken op 30 april 2001, heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Het Uwv heeft deze uitkering bij besluit van 25 september 2006 per 22 november 2006 ingetrokken wegens geschiktheid voor een aantal geselecteerde functies. Aansluitend ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich twee maal ziek gemeld, voor het laatst op 29 september 2009 met schildklierklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant op 8 december 2009 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts M.M. Stienstra. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 14 december 2009 geschikt kan worden geacht voor de bij de eerdere WAO-beoordeling geselecteerde functies. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 14 december 2009 het recht op ziekengeld beëindigd.

1.2. Na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 december 2009 bij besluit van 2 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat er voldoende feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan in ieder geval getwijfeld kan worden omtrent de geschiktheid voor zijn eigen werk. Appellant is sinds november 2010 onder behandeling bij Altrecht, zoals blijkt uit het rapport van Altrecht van 23 maart 2012, waarbij de behandelend psychiater de diagnose heeft gesteld stemmingsstoornis NAO, psychotische stoornis NAO, bij zwakbegaafdheid. Tevens legt appellant stukken over van het Uwv betreffende een ZW-beoordeling per 25 januari 2012. Op grond hiervan betoogt appellant dat op de datum hier in geding ook sprake was van een toename van zijn klachten en beperkingen. Ten slotte verzoekt appellant de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enige arbeid heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

4.3. Er bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van 8 december 2009 heeft onderzocht en daarbij, naast de schildklierklachten die door de huisarts medicamenteus worden behandeld, op de hoogte was van de nek- en schouderklachten en de psychische klachten. De verzekeringsarts heeft op grond van haar onderzoek geen verergering van de lichamelijke en psychische klachten kunnen constateren ten opzichte van de eerdere

WAO-beoordeling.

4.4. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel het dossier bestudeerd en appellant op het spreekuur van 8 februari 2010 uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzocht. Op grond van dit onderzoek is hij tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een duidelijke psychopathologie en dat de schildklierpathologie, zo die al leidt tot schildklierstoornissen, werkhervatting niet in de weg staat. Omdat appellant sinds 1 oktober 2009 onder behandeling was gekomen van NOAGG, heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater K. Gokoel. Ondanks schriftelijke en telefonische rappels is daarop echter geen antwoord verkregen, zodat de bezwaarverzekeringsarts niet beschikte over gegevens die hem van het tegendeel van zijn standpunt zouden kunnen overtuigen. Nu de eerder geselecteerde functies niet geestelijk belastend zijn, kan appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook voor deze functies geschikt worden geacht.

4.5. De in hoger beroep aangevoerde gronden leiden niet tot het oordeel dat het inzichtelijke en overtuigende standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. De in hoger beroep overgelegde informatie ziet immers op de medische geschiktheid van appellant voor (één van) de eerder geduide functies per 25 januari 2012 en bevat geen aanwijzingen dat de medische geschiktheid van appellant voor de eerder geduide functies op de datum hier in geding, te weten 14 december 2009, onjuist zou zijn beoordeeld. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV