Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
12-3931 WMO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3931 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

Datum uitspraak 1 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. G.F. de Graaf, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 mei 2012, 11/4313, (aangevallen uitspraak). Tevens is namens verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 10 januari 2011 heeft het college de aanvraag van verzoekster om een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de aan verzoekster toegekende collectieve vervoersvoorziening ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen de besluiten van 10 januari 2011 ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 6 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard, in die zin dat de collectieve vervoersvoorziening (ACV) wordt toegekend voor de duur van een jaar. Aanleiding voor het nemen van het bestreden besluit is het medisch advies van Trompetter & Van Eeden van

23 december 2011, waarin de voortzetting van de indicatie voor ACV wordt geadviseerd. Het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om een scootmobiel is ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster door verstrekking van een voorziening in de vorm van ACV in staat wordt geacht op aanvaardbare wijze haar zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie te behouden of te bevorderen.

3. Naar aanleiding van het thans ingediende verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

3.3. In het verzoekschrift van verzoekster wordt ten aanzien van het spoedeisend belang vermeld dat sinds de indiening van het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 januari 2011 anderhalf jaar is verstreken en er bij een reguliere behandeling van de zaak in hoger beroep nog een aanzienlijke tijd zal verstrijken. Verzoekster stelt dat zij gedurende deze procedure niet in het bezit is van een adequate vervoersvoorziening voor de korte en zeer korte afstand waardoor zij niet kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De voorzieningenrechter ziet hierin geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij verwijst hij nog naar het voornoemde rapport van Trompetter & Van Eeden, waarin ten aanzien van de toegekende vervoersvoorziening ACV wordt gesteld dat verzoekster daarmee een middel heeft waarmee zij van deur tot deur kan reizen.

3.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb.

4. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M. Zwart

HD