Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
11-1212 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering toeslag. Beroep op verjaring van de terugvordering slaagt. Vanaf 1 januari 2002 ontvangt appellante haar WAO-uitkering van het Uwv. Ook haar toeslag ontving zij van het Uwv. Het Uwv was vanaf 1 januari 2002 tevens belast met de uitvoering van het invaliditeitspensioen op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. Het besluit van 29 januari 2004, waarbij aan appellante met ingang van 1 december 2002 een invaliditeitspensioen is toegekend, is namens de Stichting Pensioensfonds ABP genomen door het Uwv en ondertekend door de directeur van de divisie arbeidsgeschiktheid van het Uwv. Het Uwv was op 29 januari 2004 op de hoogte van het feit dat appellante vanaf 1 december 2002 recht had op een invaliditeitspensioen. Het Uwv kon voldoende duidelijk zijn dat dit consequenties zou hebben voor de door appellante ontvangen toeslag en dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag. Tussen 29 januari 2004 en het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009 liggen meer dan vijf jaren. Van een stuiting van de verjaringstermijn op enig moment voor 3 december 2009 is de Raad niet gebleken. De rechtbank heeft appellantes beroep op verjaring ten onrechte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/241
RSV 2012/233

Uitspraak

11/1212 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 januari 2011, 10/2209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Mouwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 2000 uigevallen uit haar werkzaamheden bij het [naam theater]. Met ingang van 4 november 2001 is aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 januari 2002 is aan appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op haar WAO-uitkering toegekend. Met ingang van 1 december 2002 is aan appellante in aanvulling op haar WAO-uitkering ook een invaliditeitspensioen toegekend op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

1.2. Bij besluit van 3 december 2009 heeft het Uwv de toeslag op grond van de TW van appellante met ingang van 1 december 2002 herzien in verband met het door appellante ontvangen invaliditeitspensioen. Bij een tweede besluit van 3 december 2009 heeft het Uwv de ten onrechte ontvangen toeslag van in totaal € 5.314,80 teruggevorderd. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep van appellante zich niet richt tegen de herziening van de toeslag, maar uitsluitend tegen de terugvordering. Gelet daarop staat de herziening vast en staat daarmee tevens vast dat het Uwv gehouden is de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen, behoudens dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat sprake is van zulke dringende redenen. Niet is gebleken dat de terugvordering voor appellante tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou leiden.

2.2. Het door appellante gedane beroep op verjaring is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft daarbij als begin van de verjaringstermijn genomen een telefonische controle in januari 2008 en niet, zoals door appellante bepleit, 29 januari 2004, de datum waarop besloten is haar een invaliditeitspensioen toe te kennen.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank haar beroep op verjaring ten onrechte heeft gepasseerd. Zij heeft er daartoe, kort gezegd, op gewezen dat er sinds

1 januari 2002 één Uwv is en dat dit Uwv op de hoogte was van de verschillende uitkeringen die zij ontving. Appelante heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het Uwv te veroordelen in de door haar in bezwaar en beroep gemaakte kosten.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het Uwv heeft daartoe, kort gezegd, betoogd dat ten tijde van belang feitelijk nog geen sprake was van één Uwv-administratie. Hetgeen binnen het ene onderdeel van het Uwv besloten was, was destijds niet automatisch ook bekend bij het andere Uwv-onderdeel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) in werking getreden. Hiermee is een einde gekomen aan de situatie waarin bij de uitvoering van de werknemersverzekerings-wetten verschillende uitvoeringsinstellingen betrokken waren. Sinds 1 januari 2002 is het Uwv met deze taak belast. Uit de tekst van de Wet Suwi, met name uit artikel 2, komt duidelijk naar voren dat het hier gaat om één orgaan, dat rechtspersoonlijkheid heeft. De tot 1 januari 2002 bestaande uitvoeringsinstellingen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen zijn opgegaan in het Uwv.

4.2. Vanaf 1 januari 2002 ontvangt appellante haar WAO-uitkering van het Uwv. Ook haar toeslag ontving zij van het Uwv.

4.3. Het Uwv was vanaf 1 januari 2002 tevens belast met de uitvoering van het invaliditeitspensioen op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

4.4. Het besluit van 29 januari 2004, waarbij aan appellante met ingang van 1 december 2002 een invaliditeitspensioen is toegekend, is namens de Stichting Pensioensfonds ABP genomen door het Uwv en ondertekend door de directeur van de divisie arbeidsgeschiktheid van het Uwv.

4.5. Wat betreft de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde toeslag sluit de Raad overeenkomstig zijn vaste rechtspraak (zie onder meer LJN BJ3262) aan bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Aansluiting zoekend bij artikel 3:309 van het BW is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van een toeslag aanvangt op het moment dat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. De verjaringstermijn kan op de voet van artikel 3:317 van het BW worden gestuit door een niet mis te verstane schriftelijke mededeling met betrekking tot de terugvordering.

4.6. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 overwogen is leidt tot de conclusie dat het Uwv op

29 januari 2004 op de hoogte was van het feit dat appellante vanaf 1 december 2002 recht had op een invaliditeitspensioen. Het Uwv kon voldoende duidelijk zijn dat dit consequenties zou hebben voor de door appellante ontvangen toeslag en dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag. Tussen 29 januari 2004 en het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009 liggen meer dan vijf jaren. Van een stuiting van de verjaringstermijn op enig moment voor

3 december 2009 is de Raad niet gebleken. Uitgaande van het onder 4.5 geschetste beoordelingskader heeft de rechtbank derhalve appellantes beroep op verjaring ten onrechte afgewezen.

4.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009 herroepen.

5.1. De Raad stelt vast dat appellante haar verzoek het Uwv te veroordelen in de door haar in bezwaar gemaakte kosten niet heeft onderbouwd. Ook overigens bevatten de gedingstukken geen aanknopingspunten voor door appellante in bezwaar gemaakte kosten. De Raad zal het Uwv daarom niet veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure.

5.2. De Raad zal op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze bedragen

€ 874,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand, en € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.748,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit besluit betrekking heeft op de terugvordering van de toeslag;

- herroept het terugvorderingsbesluit van 3 december 2009;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.748,--;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.R. Baas

KR