Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10-5059 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. WAZ-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Terugwerkende kracht. Onjuiste informatie verstrekt

op de zogenoemde inkomensformulieren. Van verjaring van de bevoegdheid tot terugvordering is geen sprake. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5059 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 juli 2010, 10/182 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant, vanaf 1998 werkzaam gedurende gemiddeld 80 uur per week als directeur groot aandeelhouder van een loodgieters- en installatiebedrijf, is met ingang van 29 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is bij besluit van 19 januari 2004 ongewijzigd voortgezet. Per april 2005 is de uitkering beëindigd. Na een herbeoordeling ontvangt appellant vanaf 22 februari 2007 een WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, welke echter in verband met inkomsten uit arbeid niet wordt uitbetaald.

1.2. Naar aanleiding van deze laatste herbeoordeling heeft het Uwv nader onderzoek gedaan naar inkomsten van appellant vanaf juni 2003 en daartoe informatie ingewonnen bij het accountantskantoor van appellant. De op 19 februari 2009 verkregen informatie heeft geleid tot het besluit van 3 september 2009 waarbij het Uwv aan appellant heeft meegedeeld dat de aan hem toegekende WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% onder toepassing van artikel 58 van de WAZ in verband met door hem verworven inkomsten uit arbeid over de periode van 1 augustus 2003 tot 1 mei 2004 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, over de periode van

1 mei 2004 tot 1 maart 2005 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en over de periode van 1 maart 2005 tot 25 april 2005 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Het Uwv heeft bij een tweede besluit van 3 september 2009 van appellant teruggevorderd een bedrag van € 9.148,57 aan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering over de periode van

1 augustus 2003 tot en met 24 april 2005.

1.4. Bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 3 september 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij gewezen op het rapport van de accountant van

18 februari 2009 waaruit blijkt dat appellant naast zijn WAZ-uitkering vanaf 1 augustus 2003 tot 1 maart 2005 en van 1 maart 2005 tot 1 mei 2005 respectievelijk een bedrag van

€ 2.261,74 en € 2.941, 20 per maand ontving. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant hiermee naast zijn WAZ-uitkering, zo’n substantieel hoger inkomen verwierf dat hij redelijkerwijs had moeten dan wel kunnen begrijpen dat zijn inkomen uit arbeid van invloed zou zijn op de hoogte van de WAZ-uitkering. Dat de arbeidsdeskundige in de rapporten van 22 december 2003 en 24 februari 2005 aangeeft dat appellant inkomsten uit arbeid heeft maar vervolgens geen contact heeft gezocht met de accountant doet hier niet aan af. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel door het Uwv is geen sprake. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat een gedeelte van de WAZ-uitkering aan appellant onverschuldigd is betaald en is het Uwv terecht tot terugvordering overgegaan.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij er op mocht vertrouwen dat de arbeidsdeskundige na het gesprek met appellant op 18 december 2003 de inkomsten uit arbeid bij zijn accountant had opgevraagd en beoordeeld en dat hij uit de besluiten nadien heeft mogen begrijpen dat de kwestie was afgedaan. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij de hoogte van het onder 2 genoemde inkomen per maand niet betwist. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de beoordeling die tot de herziening heeft geleid slechts bij toeval heeft plaatsgevonden en dat daarmee sprake is van willekeur. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2012 (LJN:BW0214) heeft appellant betoogd dat op het moment waarop het Uwv tot terugvordering besloten heeft de verjaringstermijn al was verstreken. Appellant heeft daarbij het begin van de verjaringstermijn vastgesteld op 1 januari 2004, omdat het Uwv, wanneer hij adequaat had gereageerd op de mededelingen die appellant heeft gedaan tijdens het gesprek met de arbeidsdeskundige op 18 december 2003, op dat moment al had kunnen weten dat er aanleiding was om de uitkering aan te passen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de bewoordingen van artikel 58 van de WAZ vloeit naar het oordeel van de Raad voort dat het Uwv, indien het Uwv vaststelt dat aan de in artikel 58, eerste lid, van de WAZ aangegeven voorwaarden is voldaan, verplicht is om over te gaan tot anticumulatie. De bewoordingen, doel en strekking van dit artikel staan er in beginsel niet aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast.

4.2. Het gestelde in 4.1 laat naar het oordeel van de Raad - zie onder andere de uitspraak van de Raad van 21 november 2008, LJN BG5996 - onverlet dat de toepassing van artikel 58 van de WAZ onder omstandigheden in strijd kan zijn met ongeschreven rechtsregels, zoals het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad kan zich echter in het onderhavige geval niet vinden in de stelling van appellant dat het beginsel van de rechtszekerheid respectievelijk het vertrouwensbeginsel zich in zijn geval verzet tegen de toepassing van artikel 58 van de WAZ. Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat appellant, voordat hij een WAZ-uitkering ontving, een inkomen genereerde van ongeveer € 4.631,08 per maand. Nu appellant met zijn onder 2 genoemde inkomen uit arbeid van meer dan € 2000,- - in een overigens beduidend geringere arbeidsomvang - naast zijn WAZ-uitkering in de litigieuze periode een substantieel deel van zijn vroegere maatmaninkomen verdiende, had appellant redelijkerwijs moeten dan wel kunnen begrijpen dat zijn inkomen uit arbeid van invloed zou zijn op de hoogte van zijn WAZ-uitkering. Toepassing van genoemde anticumulatiebepaling komt dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Evenmin is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 22 december 2003 blijkt niet van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging op grond waarvan appellant mocht aannemen dat het Uwv niet tot anticumulatie zou overgaan. Evenmin kan aan de latere besluitvorming, die betrekking had op een theoretische schatting, een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de zaak als afgedaan kan worden beschouwd. Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat sprake is van willekeur. Het gaat er in dit geval om dat het Uwv, indien het Uwv vaststelt dat aan de in artikel 58, eerste lid, van de WAZ aangegeven voorwaarden is voldaan, verplicht is om over te gaan tot anticumulatie. De vraag of het Uwv - in de bewoordingen van appellant - al dan niet “bij toeval”tot toepassing van artikel 58 van de WAZ is gekomen is daarbij niet relevant. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht is overgegaan tot anticumulatie van de door appellant verkregen inkomsten met zijn WAZ-uitkering.

4.3. Wat betreft de terugvordering wordt overwogen dat het Uwv op grond van artikel 63 van de WAZ gehouden is hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen, behoudens in het geval dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.4. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de schuldeiser bekend is geworden met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de schuldenaar. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB, 28 maart 2007, LJN BA2284) dient in het bestuursrecht aansluiting gezocht te worden bij deze bepaling en vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan op het moment dat het Uwv bekend is met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

4.5. Anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad van 23 maart 2012 is in de situatie van appellant ten tijde van de beoordeling door de arbeidsdeskundige in december 2003 en januari 2004 geen sprake van gegevens die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn te veronderstellen dat er sprake was van dusdanige inkomsten op basis waarvan voldoende duidelijk was dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag. Appellant heeft bij die gelegenheid bij de arbeidsdeskundige slechts aangegeven dat hij ca. één uur per dag het werk probeert te begeleiden, maar dat hij nog maar twee medewerkers in dienst heeft waardoor er niet veel toezicht nodig is. Vervolgens heeft appellant onjuiste informatie op de zogenoemde inkomensformulieren verstrekt. Eerst bij de herbeoordeling in 2007 is sprake geweest van gegevens die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn te veronderstellen dat er sprake was van dusdanige inkomsten dat daarvan voldoende duidelijk was dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. Vervolgens heeft het Uwv op

3 september 2009, derhalve (ruimschoots) binnen de termijn van vijf jaar, een besluit tot terugvordering wegens onverschuldigde betaling genomen. Van verjaring van de bevoegdheid tot terugvordering is daarom geen sprake, zodat het beroep van appellant op verjaring niet slaagt. Nu voorts niet is gebleken van een dringende reden om van terugvordering af te zien, is het Uwv terecht overgegaan tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde

WAZ-uitkering.

4.6. Tot slot wordt overwogen dat van de door appellant eerst ter zitting opgenomen grief betreffende strijd met het beginsel van een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, moet worden verworpen. Appellant heeft deze grief op geen enkele wijze nader onderbouwd.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) J. Riphagen

(getekend) R.L. Rijnen

KR