Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10-6327 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellant een WAO-uitkering toe te kennen omdat geen sprake is van een toename van zijn beperkingen. Op verzoek van de Raad heeft een psychiater als onafhankelijk deskundige rapport uitgebracht. Uit de conclusie van deze deskundige volgt dat, nu geen sprake is van een gewijzigde medische toestand ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling waarbij de uitkering van appellant per 1 september 2006 is ingetrokken, er geen aanknopingspunten bestaan voor het aannemen van meer beperkingen dan bij de FML van 26 januari 2007 door de bezwaarverzekeringsarts zijn vastgesteld. Er wordt dan ook niet voldaan aan de gestelde voorwaarden in artikel 43a, eerste lid, van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6327 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 oktober 2010, 09/564 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater dr. P. Naarding op 13 juli 2011 als onafhankelijk deskundige rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het Uwv heeft zich, met berichtgeving, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het Uwv de aan appellant vanwege psychische klachten en rugklachten toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO), met ingang van 1 september 2006 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 27 februari 2007 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag een rapport van de bezwaarverzekeringsarts E. Vastert van

26 januari 2007. In dit rapport heeft Vastert te kennen gegeven dat rekening moet worden gehouden met een beperkte psychische en fysieke belastbaarheid. De hieruit voortvloeiende beperkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 januari 2007. Tegen het besluit van 27 februari 2007 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Hieruit volgt dat dit besluit in rechte vaststaat.

1.2. Bij brief van 17 juli 2008 heeft appellant het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering. Hij heeft daarbij aangevoerd dat dezelfde ziekte is toegenomen.

1.3. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het Uwv met toepassing van artikel 43a van de WAO geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen op de grond dat geen sprake is van een toename van zijn beperkingen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Vastert van 16 maart 2009, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 2 december 2008 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit gerichte beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij onvoldoende grond ziet voor het standpunt dat de medische beperkingen van appellant uit dezelfde ziekteoorzaak sinds begin van het jaar 2008 zijn toegenomen. De door de behandelend psychiater R.R. Ploeger verstrekte informatie biedt volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Vastert dat de beperkingen van appellant niet zijn togenomen, nu in de brief van Ploeger van

16 september 2009 (lees: 2008) te kennen is gegeven dat de klachten van appellant het afgelopen jaar ongewijzigd zijn gebleven. Ook uit de brief van Ploeger van 4 mei 2010 blijkt dat in het kalenderjaar 2008 sprake was van een stabiele situatie, in dit geval een plateaufase.

3.1. In hoger beroep voert appellant aan dat op grond van de rapporten van psychiater Ploeger wel sprake is van verergering van zijn klachten begin 2008 ten opzichte van 2006. Ploeger schrijft immers dat, over een aantal jaren terugblikkend, sprake is van een geleidelijke achteruitgang op psychisch gebied.

3.2. Namens appellant heeft medisch adviseur drs. D. Sok bij rapport van 5 augustus 2011 gereageerd op het rapport van psychiater Naarding. Sok is tot de conclusie gekomen dat het rapport van Naarding het standpunt van appellant ondersteunt omdat Naarding zich niet kan verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid.

4.1. De Raad staat voor de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Ter beantwoording van die vraag komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 43a, eerste lid, van de WAO vindt, indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de arbeidsongeschiktheid vier weken heeft geduurd.

4.3. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze.

4.4. Naarding is tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis met pijnklachten in het hele lichaam vooral in zijn rug en benen waarvoor geen afdoende somatische verklaring is gevonden. Vanuit anamnese, de eigen onderzoeksbevindingen – waaronder het bestuderen van de in het dossier aanwezige medische informatie van de behandelend psychiater Ploeger – en gezien de aard van de problematiek kan volgens Naarding worden gesteld dat de situatie van appellant destijds hoogstwaarschijnlijk niet anders was dan tijdens het huidige onderzoek. Dit valt volgens Naarding ook te concluderen uit de brief van Ploeger van 27 juli 2009 en volgt ook uit de beschrijvingen van de medische toestand van appellant van eerdere datum.

4.5. Uit deze conclusie volgt dat, nu geen sprake is van een gewijzigde medische toestand ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling waarbij de uitkering van appellant per 1 september 2006 is ingetrokken, er geen aanknopingspunten bestaan voor het aannemen van meer beperkingen dan bij de FML van 26 januari 2007 door de bezwaarverzekeringsarts Vastert zijn vastgesteld. Er wordt dan ook niet voldaan aan de gestelde voorwaarden in artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Het in hoger beroep overgelegde rapport van medisch adviseur Sok kan niet tot een ander oordeel leiden, nu ook Sok op grond van het rapport van Naarding in beginsel uitgaat van een ongewijzigde medische toestand. Voor het standpunt van Sok dat desondanks sprake zou zijn van een verergering van klachten omdat het Uwv de

WAO-uitkering van appellant heeft ingetrokken zonder dat appellant zich beter voelde, ontbreekt een inzichtelijke en overtuigende motivering. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO. Het Uwv heeft appellant dan ook terecht een

WAO-uitkering geweigerd.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.R. Baas

KR