Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10-6319 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet–ontvankelijk. De Raad komt tot de conclusie dat het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft – namelijk dat zijn WGA-uitkering ook over de periode van 10 februari 2009 tot 20 juni 2011 gebaseerd wordt op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% – geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Dit brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellant vanwege het ontbreken van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6319 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

13 oktober 2010, 09/6806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Klerks, regiojurist bij de Abvakabo FNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2005 uit zijn werk als accountmanager uitgevallen met hartklachten, longklachten en psychische klachten. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft het Uwv appellant vanaf 30 april 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met als einddatum 30 april 2012.

1.2. Op 10 september 2008 heeft appellant het Uwv medegedeeld dat zijn lichamelijke klachten chronisch zijn geworden en om die reden verzocht zijn WGA-uitkering om te zetten in een uitkering op grond van de inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 februari 2009 appellants mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 50%. Het Uwv heeft appellant daarbij meegedeeld dat dit geen gevolgen zou hebben voor de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering, die in overeenstemming met het besluit van 28 februari 2007 nog tot 30 april 2012 zou lopen.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 februari 2009. In de bezwaarfase is de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en zijn in verband daarmee nieuwe functies geselecteerd. Op basis daarvan heeft het Uwv in het besluit op bezwaar van 14 augustus 2009 (bestreden besluit) appellants mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 58,4%. Het Uwv heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van

10 februari 2009 niet herroepen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voor zover van belang overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten gezien om de resultaten van dat onderzoek onjuist te achten. Aangezien geen arbeidskundige gronden naar voren zijn gebracht heeft de rechtbank zich beperkt tot de vraag of de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medische onderzoek op een juiste en niet onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op informatie vanuit de behandelend sector en op rapportages van de door hem ingeschakelde zelfstandige verzekeringsarts P. Out van 6 mei 2010 en 13 juni 2010.

3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. Bij brief van 7 mei 2012 heeft appellant enkele stukken overgelegd, waaronder een besluit van 19 april 2012. Uit dit besluit blijkt dat het Uwv appellant vanaf 20 juni 2011 weer volledig arbeidsongeschikt acht en aanneemt dat hij dat zal blijven; de hoogte van zijn

WGA-uitkering zal daardoor niet meer wijzigen tot appellant op 7 augustus 2012 de 65-jarige leeftijd bereikt. Appellant heeft ter zitting meegedeeld dat hij het tegen het besluit van 19 april 2012 ingediende bezwaar inmiddels heeft ingetrokken. Dit is door het Uwv bevestigd. Appellant heeft desgevraagd verduidelijkt dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat hij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Appellant is van mening dat hij terecht een WGA-uitkering ontvangt. Hij wil slechts bereiken dat zijn WGA-uitkering ook over de periode van 10 februari 2009 tot 20 juni 2011 gebaseerd wordt op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.2. Het Uwv heeft ter zitting, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad, met name de uitspraak van 15 april 2011, LJN BQ1755, de vraag opgeworpen of appellant een voldoende procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.

5.1. De Raad ziet zich, gelet op de omstandigheden neergelegd in 4.1, geplaatst voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2008, LJN BC3264, en de uitspraak van 24 november 2010, LJN BO4946) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

5.2. De Raad stelt vast dat de situatie van appellant vergelijkbaar is met de situatie waarover de Raad heeft geoordeeld in de door het Uwv genoemde uitspraak van 15 april 2011. Evenals in die uitspraak en onder verwijzing naar de daarin opgenomen overwegingen komt de Raad tot de conclusie dat het resultaat dat appellant in deze procedure nastreeft – namelijk dat zijn WGA-uitkering ook over de periode van 10 februari 2009 tot 20 juni 2011 gebaseerd wordt op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% – geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Dit brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellant vanwege het ontbreken van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.R. Baas

KR