Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10/6721 WWB + 10/6809 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6721 WWB, 10/6809 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 november 2010, 10/1239 (aangevallen uitspraak 1) en 10/1238 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] en [Appellant] te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 24 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.W. van Faassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012, Voor appellanten is verschenen mr. Van Faassen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kruidhof.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 2 augustus 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant ontving sinds 23 juli 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante op haar adres [adres 1] te [woonplaats] samenwoont met appellant, heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. op verzoek van de eenheid Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is onder meer bij diverse instanties informatie ingewonnen, zijn waarnemingen verricht in de omgeving van het adres van appellante, zijn appellanten verhoord en zijn bewoners uit de omgeving van de woning van appellante gehoord.

1.3. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 5 maart 2010, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 maart 2010 de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 8 februari 2008 en de over de periode van 8 februari 2008 tot en met 31 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 26.630,86 van appellant terug te vorderen. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 8 februari 2008 ingetrokken en de over de periode van 8 februari 2008 tot en met 31 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 32.503,95 van appellante teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting niet aan het college hebben meegedeeld dat zij in ieder geval vanaf 8 februari 2008 een gezamenlijke huishouding voeren en dat zij werkzaamheden en activiteiten als zelfstandige verrichten. Bij afzonderlijke besluiten van eveneens 15 maart 2010 heeft het college voorts de kosten van de aan appellant en appellante over de genoemde periode verleende bijstand mede van appellante respectievelijk appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 25 juni 2010, voor zover hier van belang, (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de tot haar gerichte besluiten van 15 maart 2010 ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 25 juni 2010, voor zover hier van belang, (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de tot hem gerichte besluiten van 12 maart 2010 en 15 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij stellen zich op het standpunt dat zij geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft tijdens het verhoor bij de sociale recherche op 3 februari 2010 haar verklaringen onder druk afgelegd. De verklaringen van de buurtbewoners kunnen niet als ondersteunend bewijs dienen, omdat ze te algemeen zijn. De waarnemingen betreffen een geparkeerd staande auto en dit levert geen geconstateerde samenwoning op. Subsidiair wordt de aanvangsdatum van de samenwoning betwist. Appellanten doen tot slot een beroep op dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Desgevraagd is namens appellanten ter zitting bevestigd dat het element van de wederzijdse zorg niet in geding is. Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom uitsluitend van belang of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De rechtbank heeft deze vraag terecht bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank terecht acht geslagen op de inhoud van de door appellante ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en vervolgens zonder voorbehoud ondertekende verklaringen. Dat deze verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. Appellante heeft bij aanvang van het eerste verhoor desgevraagd te kennen gegeven dat ze in staat is om een verklaring af te leggen. De verklaringen van appellante zijn voorts uitvoerig en gedetailleerd. Hetgeen appellante later ter ontkrachting van die verklaringen naar voren heeft gebracht, biedt onvoldoende grond om aan de juistheid van de verklaringen te twijfelen. De verklaringen van appellante worden ondersteund door de verklaringen van de buurtbewoners. Deze verklaringen zijn voldoende concreet en gedetailleerd en hebben dezelfde strekking, namelijk dat appellant in ieder geval vanaf februari 2008 bij appellante woonachtig is. Appellante zelf heeft verklaard dat appellant sinds februari 2008 veel bij haar is, dat hij eigenlijk dagelijks aan de [adres 1] is en dat hij gemiddeld vier nachten per week bij haar is. Appellante heeft verder verklaard dat appellant vanaf februari 2008 wel de meeste dagen en nachten van de week aan de [adres 1] verbleef. De verklaring van appellante vindt voorts nog steun in de waarnemingen die hebben plaatsgevonden in de periode van 27 april 2009 tot en met 17 november 2009. Uit deze waarnemingen is naar voren gekomen dat de auto van appellant zeer vaak geparkeerd stond in de directe omgeving van de woning van appellante. Appellante heeft hierover verklaard dat gesteld kan worden dat als de auto van appellant in de buurt van haar woning staat, hij bij haar in huis aanwezig is.

4.3. Ter ondersteuning van hun stelling dat het college van terugvordering en medeterugvordering had moeten afzien, hebben appellante aangevoerd dat het hier gaat om de terugvordering van een aanzienlijk bedrag, dat dit zwaar op appellanten drukt, en dat zij geen financiële ruimte hebben om dit bedrag ineens terug te betalen. Deze feiten en omstandigheden vormen geen dringende reden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 2.4.1 van zijn beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien. De financiële gevolgen van de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting door appellanten dienen in beginsel voor hun rekening te blijven. Ook ter zitting aangevoerde omstandigheden dat de terugvordering de plannen van appellante doorkruist om als zelfstandige aan het werk te gaan, vormt geen dringende reden op grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD