Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3417

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10/4708 WWB + 10/4709 WWB + 11/5670 WWB + 11/5671 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en langdurigheidstoeslagen. Ten onrechte niet gemeld dat appellant werkzaamheden heeft verricht, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Activiteiten in een economische setting. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4708 WWB, 10/4709 WWB, 11/5670 WWB, 11/5671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 9 juli 2010, 10/186, (aangevallen uitspraak 1) en 17 augustus 2011, 11/169 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

Datum uitspraak 24 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Voor appellanten is verschenen mr. P.T. Huisman, kantoorgenoot van mr. Van Dalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Assmann.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 29 oktober 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een heronderzoek, waarbij op de door appellanten ingeleverde bankafschriften diverse kasstortingen zijn geconstateerd, heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer het Bedrijfsprocessen Systeem (BPS) geraadpleegd. Naar aanleiding van de mutaties in het BPS, waarin melding wordt gemaakt van werkzaamheden van appellant bij pizzeria [naam pizzeria] te [vestigingsplaats] ([naam pizzeria]), heeft de sociale recherche nader onderzoek verricht naar werkzaamheden van appellant. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer observaties verricht, zijn getuigen gehoord en is appellant als verdachte verhoord. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 19 augustus 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 november 2009 de bijstand over de periode van 16 maart 2007 tot en met 23 november 2008 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.782,60 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten ten onrechte niet hebben gemeld dat appellant werkzaamheden heeft verricht en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 11 februari 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat thans de bijstand wordt ingetrokken over de periode van 1 februari 2008 tot en met 23 november 2008 en de terugvordering wordt vastgesteld op in totaal € 13.814,90.

1.5. Op 15 september 2010 hebben appellanten een aanvraag ingediend om een langdurigheidstoeslag over 2010 als bedoeld in artikel 36 van de WWB. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat in de afgelopen periode van 36 maanden een verwijtbare terugvordering van bijstand is ontstaan. Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college de langdurigheidstoeslagen over 2008 en 2009 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 1.072,--. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten over 2008 geen recht hebben op een langdurigheidstoeslag omdat appellant in 2008 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, en dat hun recht op een langdurigheidstoeslag over 2009 niet kan worden beoordeeld omdat appellant geen opgave heeft gedaan van de verkregen beloning voor zijn werkzaamheden in 2008.

1.6. Bij besluit van 9 februari 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 5 oktober 2010 en 9 november 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is aan de afwijzing van de langdurigheidstoeslag over 2010 ten grondslag gelegd dat het recht daarop niet kan worden vastgesteld vanwege de door appellant verzwegen werkzaamheden.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Zij bestrijden primair dat zij de op hen rustende inlichtingverplichting hebben geschonden. Daartoe voeren zij aan dat appellant niet heeft gewerkt als broodjes- en pizzabezorger. Appellant heeft alleen als chauffeur in de bedrijfsauto van [naam pizzeria] gezeten om stratenkennis op te doen ten behoeve van de door hem geambieerde functie als taxichauffeur en heeft aldus geen op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Subsidiair voeren appellanten aan dat het college de ingangsdatum van de werkzaamheden ten onrechte op basis van de mededeling van de gemachtigde van appellanten tijdens de hoorzitting in bezwaar van 6 januari 2010 heeft vastgesteld op 1 februari 2008. Tegen aangevallen uitspraak 2 hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals appellanten desgevraagd ter zitting hebben bevestigd, zijn hun beroepsgronden in het bijzonder gericht tegen aangevallen uitspraak 1. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 is afhankelijk van uitslag in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1.

4.2. Het betoog van appellanten dat zij de door appellant ontplooide activiteiten, gelet op de aard daarvan, niet hoefden te melden, slaagt niet. Uit de verklaringen die de eigenaar van [naam pizzeria] en appellant ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd, blijkt dat appellant in gezelschap van vaste bezorgers van [naam pizzeria] in de bedrijfsauto van [naam pizzeria] heeft gereden. Gelet op het feit dat appellant zijn activiteiten ontplooide in een economische setting, moet het appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Ook indien bij appellanten nog enige twijfel zou hebben bestaan over de relevantie van de door appellant ontplooide activiteiten voor het recht op bijstand, had het op hun weg gelegen om het college tijdig over een en ander in te lichten om het college in staat te stellen de gevolgen van die activiteiten voor de bijstandsverlening te beoordelen. Door van die activiteiten geen melding te maken, zijn appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen. De primaire beroepsgrond van appellanten treft daarom geen doel.

4.3. Wat betreft de datum waarop appellant met zijn activiteiten is begonnen, heeft het college, gelet op de verklaring van de gemachtigde van appellant op de hoorzitting van 6 januari 2010, kunnen uitgaan van 1 februari 2008. In het bezwaarschrift van 1 december 2009 heeft de gemachtigde vermeld dat niets zinnigs kan worden gezegd over de ingangsdatum. Pas aan de hand van de stukken kan worden nagegaan en met appellant besproken of dat al dan niet correct is. Vervolgens heeft de gemachtigde in aanwezigheid van appellant tijdens de hoorzitting verklaard dat er geen vaste datum is waarop appellant met zijn activiteiten is begonnen, dat dit ook ergens begin 2008 zou kunnen zijn en dat hij als begindatum 1 februari 2008 aanhoudt. Appellant heeft op de hoorzitting bij die verklaring en die datum geen kanttekening geplaatst. Dat, zoals appellanten in beroep en hoger beroep hebben bepleit, appellant pas op 1 mei 2008 met zijn activiteiten is begonnen, valt daarom niet in te zien. De subsidiaire beroepsgrond van appellanten treft evenmin doel.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Dit betekent tevens dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 evenmin slaagt, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD