Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10-4858 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijstand verleend zou moeten worden over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4858 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2010, 09/4579 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 23 september 2008 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) om een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in te dienen.

1.2. Op 5 juni 2009 heeft appellant zich bij het Werkbedrijf van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemeld om een aanvraag om bijstand op grond van de WWB in te dienen. Op 15 juni 2009 heeft appellant deze aanvraag ingediend.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college vastgesteld dat appellant tot de doelgroep van de WWB behoort. Daarbij is hem een voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling aangeboden, die bestaat uit een stage met een vergoeding die appellant vanaf 5 juni 2009 ontvangt.

1.4. Bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan appellant met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen. Het college heeft er in dat kader op gewezen dat appellant zich op 23 september 2008 weliswaar heeft gemeld bij het CWI maar dat er, doordat appellant op 24 september 2008 is weggegaan bij het intakegesprek, uiteindelijk geen aanvraag is ingediend waardoor de bijstandbehoeftigheid van vóór 5 juni 2009 niet meer is te beoordelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij wel degelijk een aanvraag heeft ingediend in september 2008 en dat deze ten onrechte niet in behandeling is genomen. Voorts is er sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijstand met terugwerkende kracht had moeten worden toegekend nu appellant tijdens de intake op 24 september 2008 onheus is bejegend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 44 van de WWB luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Centrale organisatie werk en inkomen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.

3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.”

4.2. Niet in geschil is dat het CWI appellant bij brief van 23 september 2008 heeft uitgenodigd om op 24 september 2008 te verschijnen voor een intakegesprek. Voorts staat vast dat appellant op deze afspraak is verschenen. Omdat appellant boos werd over de vragen die hem werden gesteld is hij weggelopen bij het gesprek en is hij ook later niet meer teruggekeerd. Hierdoor is er geen aanvraag tot stand gekomen. Immers uit artikel 44 van de WWB volgt dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn, waarbij de melding, zoals omschreven in het tweede lid, op grond van het derde lid voorafgaat aan de indiening van de aanvraag. Hieruit volgt dat de beroepsgrond, dat het college de aanvraag in september 2008 ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, reeds hierom niet kan slagen.

4.3. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en artikel 44 van de WWB (CRvB 30 juni 2008, LJN BD5841) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.4. In dit geval zijn zodanige bijzondere omstandigheden niet aanwezig, waardoor het college terecht is uitgegaan van 5 juni 2009. In dit kader komt betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant zijn stelling, dat hij bij het intakegesprek van 24 september 2008 onheus is bejegend door medewerkers, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Ook heeft hij geen klacht ingediend bij het college.

4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.M. Tason Avila

HD