Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-6682 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting van de Raad is aan de orde gesteld dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet geen basis biedt voor terugvordering van een partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat aan de andere partner naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 februari 2004, LJN AO5383). Namens het college is dit erkend. Aangezien aan [G.] bijstand is verleend naar deze norm, volgt hieruit dat tot 31 december 1998 geen grondslag bestaat voor medeterugvordering van appellant. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar. Het college dient er daarbij vanuit te gaan dat het niet bevoegd is de ten behoeve van [G.] over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar zal het college tevens een beslissing moeten nemen over de in bezwaar gevraagde kostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6682 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 oktober 2010, 09/1689 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/6683 WWB, plaatsgevonden op

19 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Groenenberg, kantoorgenoot van mr. Raaijmakers, en vergezeld door P. Kirmani als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak in de zaak van D.K. [G.] ([G.]) 10/6683 WWB. Een afschrift van die uitspraak is aangehecht. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 29 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft het college de kosten van de aan [G.] naar de norm voor een alleenstaande ouder verleende bijstand en incidentele verstrekkingen over de periode van

1 juli 1997 tot en met 19 december 2007 tot een bedrag van € 150.628, 75 mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft - evenals [G.] in de gevoegde zaak - aangevoerd dat de gedingstukken onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel van de rechtbank dat hij en [G.] niet duurzaam gescheiden leven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen verwijst de Raad naar hetgeen hij in zijn uitspraak in de zaak 10/6683 WWB onder 4.1 tot en met 4.5 heeft overwogen. Deze overwegingen dienen als hier herhaald te worden beschouwd.

4.2. Ter zitting van de Raad is aan de orde gesteld dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet geen basis biedt voor terugvordering van een partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat aan de andere partner naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 februari 2004, LJN AO5383). Namens het college is dit erkend. Aangezien aan [G.] bijstand is verleend naar deze norm, volgt hieruit dat tot 31 december 1998 geen grondslag bestaat voor medeterugvordering van appellant.

4.3. Uit 4.2 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4.4. De Raad ziet aanleiding het college op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2009. Het college dient er daarbij vanuit te gaan dat het niet bevoegd is de ten behoeve van [G.] over de periode van 1 juli 1997 tot 31 december 1998 gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar zal het college tevens een beslissing moeten nemen over de in bezwaar gevraagde kostenvergoeding. De Raad ziet in dit geval, nu het slechts nog gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. Voorts bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 437,-- in beroep, gelet op de door de rechtbank in beroep bepaalde proceskostenveroordeling in de - met de zaak 09/1689 samenhangende - zaak 09/1688, en voorts op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.311,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 augustus 2009;

-draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,--;

-bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD

+B