Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3359

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-6237 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. De Raad is met de rechtbank en het college, en anders dan appellante, van oordeel dat voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer een passende en toereikende voorliggende voorziening bestond. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg stond aan verlening van bijzondere bijstand voor die kosten. Geen zeer dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6237 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 oktober 2010, 09/2017 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.J. van der Heiden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Voor appellante is

mr. Van der Heiden verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.C.J. Akker-Klerks.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 8 mei 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft door middel van een door haar op 12 augustus 2008 ondertekende overeenkomst aan de Stichting Budgetbeheer Bewind en Schuldhulpverlening (BBS) de opdracht gegeven om haar inkomen en vermogen te beheren en de vaste lasten te betalen. Hierbij is vermeld dat bij de rechtbank het beschermingsbewind wordt gevraagd.

1.2. Op 19 februari 2009 heeft appellante bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de WWB ingediend voor de kosten van bewindvoering met ingang van 1 februari 2009. Daarbij heeft zij de onder 1.1 vermelde overeenkomst meegezonden. Op 8 juni 2009 heeft het college appellante verzocht de beschikking van de rechtbank tot onder bewindstelling toe te zenden. Bij brief van 10 juni 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om bijzondere bijstand. Daarbij heeft appellante, voor zover van belang, te kennen gegeven dat zij om haar moverende redenen geen meerderjarigheidsbewind wenst te verzoeken, dat zij geen gebruik wenst te maken van de Kredietbank Leeuwarden (Kredietbank) en dat zij voldoet aan alle criteria die van belang zijn voor het toekennen van bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat appellante voor de gevraagde kosten een beroep kan doen op de afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente Den Helder en de Kredietbank.

1.4. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante tijdens de hoorzitting van 23 juli 2009, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij heeft gekozen voor vrijwillig budgetbeheer. Zij wil niet naar de Kredietbank, onder meer omdat er dan geen vertrouwen is. BBS behartigt de belangen van veel vrienden en familie van haar en het geeft een vertrouwd gevoel om bij BBS te zijn. De dienstverlening van de Kredietbank is beperkt. In feite discrimineert de gemeente Den Helder BBS door BBS niet op te nemen in de lijst van ondernemingen die vrijwillig budgetbeheer in opdracht van de gemeente verzorgen. Alleen al om die reden valt het appellante zwaar te kiezen voor de voorliggende voorziening. Zij wil zelf op eigen initiatief iemand zoeken die zij zodanig vertrouwt dat zij vrijwillig haar financiële zaken aan die persoon wil overdragen.

1.5. Bij besluit van 30 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard. Hieraan ligt tegen grondslag dat de afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente Den Helder en de Kredietbank moeten worden aangemerkt als voorliggende voorziening waarop appellante kosteloos een beroep had kunnen doen voor vrijwillig budgetbeheer.

1.6. Op een daartoe strekkend verzoek van appellante van 12 februari 2010 heeft de kantonrechter te Alkmaar bij beschikking van 18 maart 2010 de goederen van appellante onder bewind gesteld en BBS benoemd tot bewindvoerder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De Kredietbank verzorgt budgetbeheer, maar dit kan niet worden beschouwd als een voor haar toereikende en passende voorliggende voorziening. Zij was ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst met BBS niet in staat haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen en had meer hulp nodig dan de Kredietbank haar kon geven. Zo was appellante om psychische en sociale redenen niet in staat haar afspraken na te komen. BBS bezoekt haar cliënten thuis en biedt extra diensten aan. Appellante was zelfs niet in staat in te gaan op de uitnodiging van de afdeling Schuldhulpverlening voor een intakegesprek op 2 september 2009. Het college had onderzoek moeten doen naar de reden daarvan en had moeten onderzoeken of appellante budgethulp nodig had. Er is sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Deze vloeit al voort uit het feit dat appellante een bezwaarschriftprocedure heeft gevoerd, beroep heeft ingesteld, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en ten slotte hoger beroep heeft ingesteld. Appellante heeft telkenmale herhaald dat zij in financiële nood verkeert en meer hulp nodig heeft dan de Kredietbank haar kan geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.3. Zoals de gemachtigde van appellante ter zitting heeft bevestigd, gaat het in deze zaak om de kosten van vrijwillig budgetbeheer. Appellante betwist niet dat de Kredietbank budgetbeheer aanbiedt en dat deze - kosteloze - dienstverlening kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder e, van de WWB. Voorts is niet in geschil dat appellante daadwerkelijk een beroep had kunnen doen op de Kredietbank voor vrijwillig budgetbeheer. Uitsluitend in geschil is of deze voorliggende voorziening toereikend en passend is.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 27 juli 2010, LJN BN3307), ligt het op de weg van de aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft gesteld dat zij door haar psychosociale omstandigheden niet in staat was om bijvoorbeeld afspraken na te komen, zelf nota’s naar de Kredietbank te brengen en formulieren in te vullen, en dat om die reden het pakket aan diensten van de Kredietbank te kort schoot, maar heeft die stelling niet onderbouwd met verifieerbare gegevens.

4.5. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat appellante om haar moverende redenen - en nog voordat met haar een afspraak was gemaakt voor het onder 3 bedoelde intakegesprek - er welbewust voor heeft gekozen met BBS een overeenkomst te sluiten. Appellante heeft in bezwaar niet kenbaar gemaakt dat, en waarom de werkwijze en het pakket aan diensten van de Kredietbank voor vrijwillig budgetbeheer, in haar geval ontoereikend en/of niet passend was. Voor een onderzoek als door appellante bedoeld, bestond dan ook geen aanleiding. Dat appellante op grond van haar psychische gesteldheid geen gebruik kan maken van de Kredietbank, zoals zij heeft aangevoerd, heeft zij niet met medische stukken onderbouwd.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.5 is de Raad met de rechtbank en het college, en anders dan appellante, van oordeel dat voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer een passende en toereikende voorliggende voorziening bestond. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg stond aan verlening van bijzondere bijstand voor die kosten.

4.7. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Wat appellante heeft aangevoerd is geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. de Jong

HD