Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-5557 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Actieve sollicitatieplicht. Juiste en zorgvuldige rapportage van de bedrijfsarts. Uit de door appellante overgelegde uitdraai van het journaal van haar huisarts, noch uit de door haar overgelegde informatie van haar fysiotherapeut en acupuncturist blijkt dat appellante meer beperkt is dan door de bedrijfsarts is vastgesteld. Dat in de periode tussen de rapportage en het primaire besluit een periode van meer dan een jaar is verstreken, maakt het voorgaande niet anders. Appellante heeft namelijk niet meegewerkt aan een medisch onderzoek op 7 december 2009, waarvoor zij was uitgenodigd, nadat zij tijdens een gesprek op 1 december 2009 te kennen had gegeven dat haar klachten waren verergerd. Het college treft daarom geen verwijt dat ten tijde van het besluit van 23 november 2009 geen actuelere medische beoordeling van appellante voorhanden was. Bovendien heeft het college in beroep een rapportage van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van 18 mei 2010 overgelegd waaruit blijkt dat appellante twintig uur per week arbeid kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5557 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2010, 10/835 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 juli 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op grond van een medisch advies van Serin van 7 november 2006 heeft het college appellante tot 7 november 2008 ontheffing verleend van de actieve sollicitatieplicht.

1.2. Op 3 november 2008 heeft een bedrijfsarts van Achmea Vitale (bedrijfsarts) appellante medisch onderzocht en rapport uitgebracht. De bedrijfsarts concludeert dat appellante arbeidsgeschikt is voor twintig uur per week.

1.3. Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college appellante meegedeeld dat de actieve sollicitatieplicht voor haar geldt en dat zij moet solliciteren naar werk voor twintig uur per week.

1.4. Tijdens een gesprek met een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) op 1 december 2009 heeft appellante te kennen gegeven dat haar klachten zijn verergerd ten opzichte van de klachten die zij het jaar daarvoor had. In verband daarmee heeft DWI appellante bij brief van 3 december 2009 meegedeeld dat zij op 7 december 2009 medisch zal worden onderzocht door Achmea Vitale. Appellante heeft op 7 december 2009 telefonisch laten weten af te zien van het medisch onderzoek.

1.5. Bij besluit van 18 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Zij ondervindt op en na 23 november 2009 zodanige lichamelijke en psychische beperkingen dat zij niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Zij acht zich bovendien ten gevolge van medisch objectiveerbare ziekte en gebreken volledig beperkt in haar persoonlijk en sociaal functioneren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd en uitvoerig uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel het na bezwaar gehandhaafde besluit van 23 november 2009, waarbij het college appellante gedeeltelijk ontheffing heeft verleend van de actieve sollicitatieplicht, in rechte stand kan houden. De rechtbank is daarbij ingegaan op de door appellante aangevoerde gronden en heeft in dat verband, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 3 november 2008 blijkt genoegzaam dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de totale medische situatie van appellante en dat hij haar medische klachten heeft meegenomen in de beoordeling. Niet gebleken is dat deze rapportage onjuistheden bevat of anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de door appellante overgelegde uitdraai van het journaal van haar huisarts, noch uit de door haar overgelegde informatie van haar fysiotherapeut en acupuncturist blijkt dat appellante meer beperkt is dan door de bedrijfsarts is vastgesteld. Dat in de periode tussen de rapportage en het primaire besluit een periode van meer dan een jaar is verstreken, maakt het voorgaande niet anders. Appellante heeft namelijk niet meegewerkt aan een medisch onderzoek op 7 december 2009, waarvoor zij was uitgenodigd, nadat zij tijdens een gesprek op 1 december 2009 te kennen had gegeven dat haar klachten waren verergerd. Het college treft daarom geen verwijt dat ten tijde van het besluit van 23 november 2009 geen actuelere medische beoordeling van appellante voorhanden was. Bovendien heeft het college in beroep een rapportage van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van 18 mei 2010 overgelegd waaruit blijkt dat appellante twintig uur per week arbeid kan verrichten.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en die in hoofdzaak een herhaling vormen van wat zij in beroep had aangevoerd, vormen geen aanleiding om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Appellante heeft niet met objectieve medische gegevens onderbouwd dat zij ten tijde in geding meer beperkt was dan de bedrijfsarts heeft aangenomen. Haar stelling dat zij ten gevolge van medisch objectiveerbare ziekte en gebreken zodanige lichamelijke en psychische beperkingen ondervindt dat zij ten tijde in geding niet in staat was om arbeid te verrichten, heeft zij evenmin met dergelijke gegevens onderbouwd.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M. Tason Avila

HD