Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-1328 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening. De omstandigheid dat appellant een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling heeft verkregen, dat hij in de periode daarvoor was uitgesloten van alle voorzieningen en dat hij het onrechtvaardig vindt dat hij direct met een schuld wordt opgezadeld, zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden. Het college heeft daarom gehandeld overeenkomstig het beleid door aan appellant bijzondere bijstand deels in de vorm van een lening toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1328 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 januari 2010, 09/873 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Voor appellant is

mr. Cerezo-Weijsenfeld verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 2 oktober 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 10 juli 2008 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van inrichting van de woning die hij met ingang van 3 juli 2008 is gaan huren.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2009 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 2.400,61, waarvan € 1.908,-- in de vorm van een geldlening en € 492,61 om niet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich voordoen en moeten worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het geschil is beperkt tot de vorm waarin het bedrag van € 1.908,-- als bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting is verleend.

4.2. Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet.

4.3. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat artikel 51, eerste lid, van de WWB hier niet van toepassing is, aangezien het grootste deel van de inrichtingskosten niet zag op duurzame gebruiksgoederen, maar op het opknappen van zijn woning.

4.4.1. De inrichtingskosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd, heeft hij bij zijn aanvraag niet gespecificeerd. Noch in bezwaar noch in beroep heeft appellant de toepasselijkheid van artikel 51, eerste lid, van de WWB bestreden. Eerst in hoger beroep heeft hij betoogd dat hij een aanzienlijk bedrag heeft besteed aan het opknappen van zijn woning, omdat deze in slechte staat verkeerde. Appellant heeft echter niet door middel van verifieerbare gegevens - bijvoorbeeld door nota’s of bonnetjes - aannemelijk gemaakt dat de kosten van het opknappen van de woning meer bedroegen dan het bedrag van € 492,61 aan bijzondere bijstand dat hem om niet is verleend. Daarnaast heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad erkend, zoals ook blijkt uit het hoger beroepschrift, dat appellant een complete inboedel moest aanschaffen. De in 4.4 vermelde beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.5. Appellant heeft voorts aangevoerd dat, mocht artikel 51, eerste lid, van de WWB hier wel van toepassing zijn, het college dan een onjuiste toets heeft aangelegd. Het college heeft zich gebaseerd op zijn beleid, maar had moeten beoordelen of de bijzondere bijstand om niet kan worden verleend op basis van individuele omstandigheden, middelen en mogelijkheden van appellant. Indien deze toetsingsmaatstaf wordt toegepast, dan kan de conclusie niet anders luiden dan dat de bijzondere bijstand in zijn geheel om niet had moeten worden verleend. Daarbij heeft appellant gewezen op het volgende. Hij heeft in het kader van de Regeling ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (pardonregeling) een verblijfsvergunning verkregen. Hij is tien jaar uitgesloten geweest van alle voorzieningen, heeft jarenlang onder het bestaansminimum geleefd, krijgt voor het eerst een uitkering en heeft in het geheel geen bezit of inkomsten. Om hem op te zadelen met een lening, nu hij een legaal leven mag beginnen, belast hem zeer zwaar. Hij heeft niet verwijtbaar gehandeld. Het verstrekken van een lening acht hij dan ook bijzonder onrechtvaardig.

4.5.1. Op grond van artikel 51, eerste lid, WWB is het college bevoegd bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen te verlenen in de vorm van een geldlening of om niet. Niet valt in te zien dat het college niet aan de hand van het door hem ter invulling van die bevoegdheid vastgestelde beleid zou mogen beoordelen in welke vorm de bijzondere bijstand wordt verleend. Volgens de door het college overgelegde richtlijn ‘Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting’ luidt dat beleid, voor zover van belang, als volgt: “Als algemeen uitgangspunt geldt dat de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening. Slechts in individuele situaties wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de bijstand om niet worden verstrekt.”

4.5.2. Uit beschikbare gegevens blijkt niet dat bij de besluitvorming is betrokken dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat appellant een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling heeft verkregen, dat hij in de periode daarvoor was uitgesloten van alle voorzieningen en dat hij het onrechtvaardig vindt dat hij direct met een schuld wordt opgezadeld, zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden in de zin van het in 4.5.1 bedoelde beleid. Het college heeft daarom gehandeld overeenkomstig dat beleid door aan appellant bijzondere bijstand deels in de vorm van een lening toe te kennen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M. Tason Avila

HD