Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
10/4539 WWB + 10/4540 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beëindiging en intrekking bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Nagelaten het bezit van auto’s aan het college te melden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de BMW eigendom is van een ander. 2) Maatregel. Bijstand gedurende periode van 6 maanden met 100% verlaagd in verband met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door onverantwoord interen op vermogen. Uitgaande van een waarde van de BMW en de Opel en rekening houdend met het bedrag van het vrij te laten vermogen resteert met toepassing van de berekeningsmethode van de rechtbank een bedrag van € 2.315,17. Dit betekent dat het college appellanten ten onrechte een maatregel van 100% gedurende de maximale duur van zes maanden heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4539 WWB, 10/4540 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2010, 09/3616 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] en [Appellant] beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat, zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Voor appellanten is verschenen mr. E.J. Coxon, kantoorgenoot van mr. Boumanjal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 9 februari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Op 5 februari 2009 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van sportkleding en sportschoenen. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.3. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat van 17 december 2008 tot 30 maart 2009 een auto van het merk BMW met [kenteken] (BMW) op naam van appellant heeft gestaan met een inruilwaarde van € 29.300,--. Verder heeft van 30 oktober 2007 tot en met 13 februari 2009 en vanaf 30 maart 2009 een auto van het merk Opel, met [kenteken] (Opel Astra) op naam van appellant gestaan met een inruilwaarde van € 12.050,--. Vanaf 13 maart 2007 stond ook een auto van het merk Lancia met [kenteken] (Lancia) op naam van appellante die een verkoopwaarde vertegenwoordigt van € 1.800,--. Het college heeft daarop bij besluit van 31 maart 2009 de bijstand van appellanten per 31 maart 2009 beëindigd op de grond dat, gelet op de waarde die de drie auto’s vertegenwoordigen, appellanten over een te hoog eigen vermogen beschikken of kunnen beschikken, zodat zij gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB geen recht op bijstand hebben. Daarnaast heeft het college met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten vanaf 17 december 2008 ingetrokken op de grond dat zij niet hebben gemeld dat zij per die datum eigenaar zijn van de BMW en vanaf dat moment in elk geval geen recht meer hebben op bijstand.

1.4. Op 2 april 2009 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college appellanten vanaf 30 maart 2009 weer bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarnaast heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand vanaf 30 maart 2009 voor een periode van 6 maanden met 100% verlaagd in verband met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door onverantwoord interen op vermogen.

1.5. Bij besluit van 24 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 15 juli 2009 de bezwaren tegen de besluiten van 24 maart 2009, 31 maart 2009 en 3 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het ziet op de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de beëindiging en de intrekking van de bijstand en het opleggen van de maatregel. Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij met de ondertekende verklaring van [S.] en van het autobedrijf hebben aangetoond dat de BMW niet tot hun vermogen behoorde. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich voor het vaststellen van de waarde van de BMW heeft mogen baseren op de koerslijst van de ANWB. Het college had moeten uitgaan van de aankoopprijs die staat vermeld in de door hen overgelegde koopovereenkomst. Indien wordt uitgegaan van de waarde die in de koopovereenkomst van de BMW staat vermeld, is ook een te zware maatregel opgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De beëindiging en de intrekking

4.1. In aanmerking genomen dat aan appellanten bij besluit van 3 juni 2009 met ingang van 30 maart 2009 bijstand is toegekend, ziet de intrekking op de periode van 17 december 2008 tot 30 maart 2009 (periode in geding).

4.2. Niet in geschil is dat in de periode in geding drie kentekens op naam van appellanten hebben gestaan. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de op naam van appellant geregistreerde BMW als een bestanddeel van het vermogen van appellanten kan worden aangemerkt.

4.3. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de BMW eigendom is van [S.] en alleen op naam van appellant is gesteld om [S.] een dienst te bewijzen. De rechtbank heeft terecht de daartoe door appellant in geding gebrachte verklaringen van [S.] van 31 maart 2009 en van het autobedrijf [naam autobedrijf] van 15 april 2009 onvoldoende geacht, nu deze geen steun vinden in de overige stukken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de BMW in de periode in geding op naam van appellant geregistreerd gestaan, staat appellant in de koopovereenkomst van 17 december 2008 als koper vermeld en blijkt uit de verklaring van [S.] dat appellant de BMW mocht gebruiken. De BMW is daarom terecht als een bestanddeel van het vermogen van appelanten aangemerkt.

4.5. Niet (langer) in geschil is dat voor de waardebepaling van de Opel Astra moet worden uitgegaan van een bedrag van € 4.000,-- à € 5.000,-- en voor de waardebepaling van de Lancia van een bedrag van € 600,--. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de waarde van de BMW juist is vastgesteld.

4.6. Het college heeft de waarde van de BMW vastgesteld op € 29.300,--. Daarvoor is het college uitgegaan van de (dag)waarde volgens de koerslijst van de ANWB, rekening houdend met de ouderdom van de auto en een kilometerstand van 100.000. In beginsel is het college gerechtigd om uit te gaan van de waarde volgens de ANWB-koerslijst. Appellanten hebben echter voor de waardebepaling van de BMW gewezen op de koopovereenkomst van 17 december 2008 waarin als aankoopprijs van € 12.500,-- staat vermeld. Het college heeft niet duidelijk kunnen maken waarom voor de waardebepaling van de BMW niet van de aankoopprijs kan worden uitgegaan. Desgevraagd heeft het college ter zitting verklaard de aankoopprijs ongeloofwaardig te achten, omdat volgens de koopovereenkomst de auto is verkocht zonder interieur en rondom schade met ontbrekende delen, terwijl appellanten de auto wel hebben kunnen gebruiken. Hiermee heeft het college echter onvoldoende onderbouwd waarom de aankoopprijs ongeloofwaardig is. Anders dan het college meent, komt dit niet voor rekening en risico van appellanten. Van het college had mogen worden verwacht dat het nader onderzoek had ingesteld naar de juistheid van de in koopovereenkomst vermelde gegevens, hetgeen het college ten onrechte heeft nagelaten.

4.7. Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellanten in de periode in geding beschikten over drie auto’s waarvan de waarde de voor hen op dat moment van toepassing zijnde vermogensgrens van € 10.910,-- overschreed. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben nagelaten het bezit van deze auto’s aan het college te melden. Het college was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 17 december 2008 tot 30 maart 2009 in te trekken. Appellanten hebben de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

De opgelegde maatregel

4.8. In artikel 12, aanhef en onder b, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand (verordening), voor zover hier van belang, is bepaald dat, indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont, een maatregel wordt opgelegd ter hoogte van 100% van de bijstandsnorm gedurende de periode waarover de belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij de beschikte of redelijkerwijs kon beschikken zou hebben aangewend, met een maximum van zes maanden. Voor het opleggen en de zwaarte van de maatregel is dus bepalend het bedrag aan geld waarover appellanten hadden kunnen beschikken indien zij geen blijk hadden gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarbij rekening moet worden gehouden met de waarde van de drie auto’s, ervan uitgaande dat appellanten, nu de BMW niet langer hun eigendom is, hiervoor in ieder geval de waarde in geld hadden kunnen ontvangen gelijk aan de waarde in het economisch verkeer. Het bedrag dat appellanten maandelijks hadden kunnen interen zonder dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is berekend op € 1.925,79 per maand, zijnde anderhalf maal de voor appellanten geldende bijstandsnorm. Na saldering van de in de rapportage van 12 mei 2009 genoemde schulden (€ 2.104,83) en de door het college vrij gelaten waarde voor een motorvoertuig (€ 2.270,--), resteert volgens de rechtbank een bedrag van ruim € 18.000,-- waarvan appellanten met ingang van 30 maart 2009 nog ruim negen maanden hadden kunnen leven. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard zich hierin te kunnen vinden voor zover het betreft de door de rechtbank gehanteerde berekeningsmethode.

4.9. Gelet op wat in 4.6 is overwogen, is de rechtbank in de in 4.8 vermelde berekening bij de waardebepaling van de BMW ten onrechte uitgegaan van de door het college op basis van de koerslijst van de ANWB gehanteerde waarde. Uitgaande van een waarde van de BMW van € 12.500,--, van een waarde van de Opel Astra van € 4.500,--, en rekening houdend met het bedrag van het vrij te laten vermogen (€ 10.910,--) resteert met toepassing van de berekeningsmethode van de rechtbank een bedrag van € 2.315,17. Dit betekent dat het college appellanten ten onrechte een maatregel van 100% gedurende de maximale duur van zes maanden heeft opgelegd.

4.10. Het hoger beroep treft in zoverre doel. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de maatregel. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2009 ongegrond is verklaard.

4.11. De Raad zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 3 juni 2009. Het college dient er bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar vanuit te gaan dat appellanten nog hadden kunnen beschikken over een bedrag van € 2.815,17 indien zij geen blijk hadden gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Tevens zal het college een beslissing dienen te nemen over de in bezwaar gevraagde kostenvergoeding. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, ziet de Raad af van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de maatregel;

- vernietigt het besluit van 24 juli 2009 voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van

3 juni 2009 ongegrond is verklaard;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 3 juni

2009, met inachtneming van deze uitspraak;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

HD