Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-3978 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college op het advies van Reaned heeft mogen afgaan aangezien het advies inzichtelijk is en deugdelijk onderbouwd. Geen dringende redenen tijdelijk ontheffing te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3978 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juni 2010, 09/1180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1994 een bijstandsuitkering laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Appellante was enige jaren om medische redenen gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen.

1.3. In het kader van een heronderzoek in augustus 2008 heeft het college een advies gevraagd aan Reaned omtrent de arbeidsmogelijkheden van appellante. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek, zoals neergelegd in een medisch advies van de arts T. Hupkens (Hupkens) en een arbeidskundig advies van J. Buurman, is appellante bij besluit van 25 maart 2009 meegedeeld dat de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 van de WWB (weer) geheel op haar van toepassing zijn, met dien verstande zij enkel licht fysieke werkzaamheden kan verrichten. Voorts is aangegeven dat de echtgenoot van appellante niet hulpbehoevend is en dat appellante dus geen zorgtaken voor haar echtgenoot heeft. Wel dient kinderopvang te worden gerealiseerd alvorens appellante kan beginnen met het volgen van een traject respectievelijk het verrichten van arbeid.

1.4. Bij besluit van 30 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan haar oordeel onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Het college heeft op het advies van Reaned mogen afgaan aangezien het advies inzichtelijk is en deugdelijk onderbouwd. Dat er sprake is van psychische klachten bij appellante is niet onderbouwd. De gezondheidstoestand van de echtgenoot van appellante is bij de beoordeling betrokken en voor hem zijn andere voorzieningen beschikbaar. Op grond van het advies is niet gebleken dat appellante voortdurend bij haar echtgenoot dient te zijn. Omdat de echtgenoot niet de zorg voor het kind kan dragen is kinderopvang noodzakelijk.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voorzover van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB, voorzover van belang, kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

4.2. Het college heeft zich bij de intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen gebaseerd op het eerdergenoemde medisch advies. Op grond van dat advies wordt appellante, met inachtneming van de hierin aangegeven beperkingen, geschikt geacht voor arbeid.

4.3. Appellante kan zich hiermee niet verenigen en heeft in hoger beroep nagenoeg dezelfde gronden aangevoerd als in beroep, met dien verstande dat zij een in opdracht van het college recent medisch advies met betrekking tot de gezondheidstoestand van haar echtgenoot heeft overgelegd.

4.4. De Raad stelt zich achter de onder 2 vermelde overwegingen van de rechtbank en de daarop gegronde oordelen. De Raad voegt daar het volgende aan toe.

4.5. Volgens het in hoger beroep overgelegde medisch advies is de echtgenoot van appellante arbeids- en traject ongeschikt op basis van fysieke en psychische klachten. Hij heeft hartklachten, longklachten, suikerziekte die niet goed te regelen is, gewrichtsklachten en forse psychische klachten met vaak agressieve uitbarstingen. Hij is in behandeling bij psychiater en huisarts. Dit rapport is door het college voorgelegd aan Hupkens, voornoemd. In zijn reactie heeft hij erop gewezen dat bij zijn laatste onderzoek niet gebleken is dat, medisch gezien, de voortdurende aanwezigheid van appellante noodzakelijk is, gelet op het feit dat de echtgenoot slechts incidenteel is flauwgevallen. De agressieve buien van de echtgenoot maken dit evenmin noodzakelijk. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan het oordeel van Hupkens te twijfelen.

4.6. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van dringende redenen als bedoeld onder 4.1 niet is gebleken. Dit betekent dat het college niet bevoegd was de intrekking van de ontheffing achterwege te laten.

4.7. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.T.P. Pot.

HD