Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-5876 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning langdurigheidstoeslag met de mededeling dat deze toeslag aangewend dient te worden voor de aanschaf van gebruiksgoederen. Betrokkene wil de langdurigheidstoeslag gebruiken om zijn schulden af te lossen. Bezwaar van betrokkene is door het college terecht niet-ontvankelijk verklaard. Mede gelet op de ter zitting van de kant van appellant gedane mededeling dat het betrokkene nadien niet zal worden tegengeworpen dat hij de langdurigheidstoeslag niet voor de aanschaf van gebruiksgoederen heeft gebruikt is de mededeling over de besteding van de langdurigheidstoeslag slechts een advies en daardoor niet gericht op enig rechtsgevolg. Nu het bezwaar zich heeft beperkt tot deze mededeling en niet tegen de verdere inhoud van het primaire besluit, is het bezwaar niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5876 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2010, 10/2248 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 27 november 2009 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft bij brief van 17 maart 2010 aan betrokkene meegedeeld dat aan hem een langdurigheidstoeslag over het jaar 2009 is toegekend ter hoogte van € 360,--. In die brief is de zinsnede opgenomen: “U bent geheel vrij het bedrag van de langdurigheidstoeslag te besteden zoals u dat wilt.” Op 18 maart 2010 heeft appellant een vrijwel gelijkluidende brief aan betrokkene gezonden. Hierin wordt de opmerking dat betrokkene vrij is in de besteding van het bedrag van de langdurigheidstoeslag herhaald. Daar wordt echter aan toegevoegd: “Wel verwachten wij dat u dit bedrag aanwendt voor de aanschaf van gebruiksgoederen zoals huisraad.”

1.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 18 maart 2010. Het bezwaar richt zich tegen de hiervoor genoemde mededeling over de aanwending van de langdurigheidstoeslag van de aanschaf van gebruiksgoederen. Betrokkene wil de langdurigheidstoeslag gebruiken om zijn schulden af te lossen.

1.4. Bij besluit van 8 april 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de langdurigheidstoeslag vrij te besteden is en dat de mededeling dat wordt verwacht dat het geld wordt gebruikt voor aanschaf van duurzame gebruiksgoederen slechts een aansporing is. Deze mededeling is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

2.1. De rechtbank heeft de brieven van 17 en 18 maart 2010 gezamenlijk opgevat als het primaire besluit waartegen betrokkene bezwaar heeft gemaakt en heeft overwogen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De mededeling in het primaire besluit dat wordt verwacht dat betrokkene de aan hem toegekende langdurigheidstoeslag aanwendt voor de aanschaf van gebruiksgoederen is op zichzelf genomen geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze mededeling maakt echter onderdeel uit van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit, te weten de toekenning van langdurigheidstoeslag. Appellant had betrokkene daarom moeten ontvangen in zijn bezwaar. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaar van betrokkene berust op een onjuiste uitleg van het primaire besluit. De hiervoor genoemde mededeling is geen door appellant aan de besteding van de langdurigheidtoeslag verbonden voorwaarde, maar slechts een advies. Indien betrokkene ervoor kiest dat advies niet op te volgen en de langdurigheidstoeslag te gebruiken voor aflossing van schulden heeft dit geen gevolgen. De rechtbank heeft daarom het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat de mededeling waartegen betrokkene bezwaar heeft gemaakt niet op rechtsgevolg is gericht, maar slechts een aansporing is, zoals in het bestreden besluit is aangegeven. Het feit dat deze mededeling onderdeel uitmaakt van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit maakt dat niet anders. Betrokkene heeft immers geen bezwaar gemaakt tegen het onderdeel van het besluit dat wel vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het bezwaar is daarom volgens het college terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2. Mede gelet op de ter zitting van de kant van appellant gedane mededeling dat het betrokkene nadien niet zal worden tegengeworpen dat hij de langdurigheidstoeslag niet voor de aanschaf van gebruiksgoederen heeft gebruikt is de mededeling over de besteding van de langdurigheidstoeslag slechts een advies en daardoor niet gericht op enig rechtsgevolg. Nu het bezwaar zich heeft beperkt tot deze mededeling en niet tegen de verdere inhoud van het primaire besluit, is het bezwaar niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen treft het hoger beroep van appellant doel, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.T.P. Pot.

HD