Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3182

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
10-3031 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning Bbz-uitkering van 5 augustus 2009 omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het besluit op de aanvraag van 9 april 2009. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn bedrijf ten tijde hier van belang wel als levensvatbaar moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3031 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2010, 10/274 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 10 december 2007 een aanvraag gedaan ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college, onder verwijzing naar een advies van LTC bedrijfsadvies van 14 april 2008, deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellants bedrijf niet levensvatbaar is. Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college een tweede aanvraag van 9 april 2009 op dezelfde grond afgewezen. Tegen beide besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 5 augustus 2009 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan ingevolge het Bbz 2004 voor de kosten van levensonderhoud.

1.3. Bij besluit van 2 september 2009 heeft het college de aanvraag van 5 augustus 2009 afgewezen op de grond dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het besluit op de aanvraag van 9 april 2009.

1.4. Bij besluit van 7 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er wel verschillen zijn met de eerste aanvraag, dat zijn onderneming wel levensvatbaar is en dat zijn omzet in 2009 laag was als gevolg van de financiƫle crisis. Verder heeft appellant gesteld dat het college hem nog een hersteltermijn had moeten bieden voor het indienen van een doorstartplan en dat het college appellant had moeten wijzen op de mogelijkheid van herleving van zijn WW-recht. Ten slotte stelt appellant dat het college zijn aanvraag niet had mogen afwijzen zonder een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd bureau.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In het geval waarin een eerdere aanvraag om bijstand is afgewezen en de belanghebbende een nieuwe aanvraag indient die is gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het volgens vaste rechtspraak (CRvB, 28 december 2010, LJN BO9541) op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat later gelegen tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn bedrijf ten tijde hier van belang wel als levensvatbaar moet worden aangemerkt. Zijn omzet in 2009 was zelfs nog beduidend lager dan de omzet waarvan bij de beoordeling van de eerdere afwijzende besluiten is uitgegaan. De stelling van appellant dat de lage omzet te wijten is aan de financiƫle crisis kan, wat hiervan verder ook zij, in elk geval niet tot de conclusie leiden dat, in afwijking van de eerdere besluitvorming, thans wel moet worden uitgegaan van een levensvatbaar bedrijf. Aangezien de bewijslast op appellant rust, was het college voorts niet gehouden om opnieuw een onderzoek te laten instellen naar die levensvatbaarheid.

4.3. Het college heeft op 30 juli 2009 aan appellant te kennen gegeven bij het aanvraagformulier een doorstartplan over te leggen. Omdat appellant op het aanvraagformulier heeft aangegeven dat dit niet mogelijk is, hoefde het college appellant hiervoor geen hersteltermijn te bieden.

4.4. Daargelaten nog dat het niet kan afdoen aan het bestreden besluit heeft het college, anders dan appellant meent, hem bij het besluit van 7 mei 2009 gewezen op mogelijkheid van herleving van zijn WW-recht.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C. Oomkens

HD