Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
10-5579 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 volgt dat het ontvangen van algemene bijstand geldt als voorwaarde voor het kunnen deelnemen aan een traject gericht op het zelfstandig kunnen uitoefenen van een beroep of bedrijf op grond van de Bbz 2004. Het college heeft dan ook terecht het traject richting zelfstandigheid beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5579 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 september 2010, 10/149 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 10/1827 WWB en 10/1828 WWB, 10/3529 WWB en 10/3530 WWB en 10/6672 WWB en 10/6677 WWB tussen appellant en

[P.] enerzijds en het college anderzijds, plaatsgevonden op 29 mei 2012. Voor appellant is verschenen mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vos. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1 september 2003 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, laatstelijk naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 1 oktober 2008 heeft appellant van het college in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) toestemming gekregen om met behoud van uitkering zich gedurende maximaal één jaar voor te bereiden op het zelfstandig ondernemerschap door middel van het traject richting zelfstandigheid via Bureau Startpunt.

1.2. Bij besluiten van 26 februari 2009 en 17 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2009, heeft het college de aan appellant en [P.] verleende bijstand met ingang van 26 februari 2009 opgeschort en vervolgens ingetrokken met ingang van 17 maart 2009. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van

30 november 2009 bij uitspraak van 12 februari 2010, 10/143 en 10/144, ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd bij uitspraak van heden, registratienummers 10/1827 WWB en 10/1828 WWB.

1.3. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college de begeleiding van appellant door middel van het traject richting zelfstandigheid via Bureau Startpunt met ingang van 1 februari 2009 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 30 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2009, onder wijziging van de beëindigingsdatum naar 17 maart 2009, ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstandsuitkering met ingang van 17 maart 2009 is ingetrokken. Nu appellant geen bijstandsuitkering ontvangt en hij niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 bepaalt dat bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet.

4.2. Onder verwijzing naar 1.2 is rechtens komen vast te staan dat de bijstand aan appellant met ingang van 17 maart 2009 terecht is ingetrokken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit artikel 2, derde lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 volgt dat het ontvangen van algemene bijstand geldt als voorwaarde voor het kunnen deelnemen aan een traject gericht op het zelfstandig kunnen uitoefenen van een beroep of bedrijf op grond van de Bbz 2004. Het college heeft dan ook terecht het traject richting zelfstandigheid beëindigd.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Dat betekent dat er geen ruimte is voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en H.C.P. Venema en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD