Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
11-695 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Er was een redelijke grond voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek. Het dagelijks bestuur heeft onder de gegeven omstandigheden van appellante daarom kunnen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan een direct aansluitend aan het gesprek op 23 maart 2010 af te leggen huisbezoek. Geen zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een - onaangekondigd - huisbezoek in de weg staat. Niet aannemelijk gemaakt dat appellante tijdens het gesprek op 23 maart 2010 in een zodanige geestelijke toestand is geraakt dat medewerking aan een huisbezoek niet van haar kon worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/695 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 10/6562 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de GR-K5 gemeenten (2009) (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 31 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Namens appellante is verschenen mr. Van den Heuvel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M. Moberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft niet gereageerd op twee uitnodigingen van het dagelijks bestuur voor een gesprek op 9 en 15 februari 2010. In verband hiermee heeft het dagelijks bestuur bij aangetekend verzonden besluit van 23 februari 2010 de betaling van de bijstand met ingang van 17 februari 2010 opgeschort. Daarbij is appellante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door binnen vijf werkdagen na dagtekening van het besluit telefonisch contact op te nemen met het dagelijks bestuur. Het besluit van 23 februari 2010 is op 24 maart 2010 bij het dagelijks bestuur teruggekomen met de mededeling dat de postbode niemand thuis heeft aangetroffen en dat de brief niet is opgehaald bij het postkantoor.

1.2. De broer van appellante, [naam broer] (broer) stond volgens een rapportage van het dagelijks bestuur van 29 maart 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [naam gemeente] sinds 3 augustus 2009 ingeschreven op het adres van appellante. In het kader van een aanvraag om bijstand van de broer heeft een sociaal rechercheur op 2 maart 2010 met de broer gesproken. Tijdens dit gesprek heeft de broer beschreven hoe de woning was ingedeeld en heeft hij verklaard dat hijzelf de kleine kamer bewoonde en appellante de woonkamer. De broer heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een huisbezoek aansluitend aan het gesprek op 2 maart 2010.

1.3. Op 23 maart 2010 heeft appellante gesproken met haar klantmanager. Uit het door de klantmanager van dit gesprek opgemaakte verslag blijkt het volgende. De klantmanager heeft aangegeven dat indien appellante geen gehoor geeft aan oproepen om te verschijnen, dit de vraag oproept of zij wel woonachtig is op het opgegeven adres. Daarop heeft appellante verklaard dat “zij hier en daar verblijft. Soms bij haar ouders, soms in haar woning”. Vervolgens is aan appellante gevraagd medewerking te verlenen aan een aansluitend aan het gesprek af te leggen huisbezoek. Appellante heeft daar niet mee ingestemd, maar aangegeven dat zij een afspraak wil maken voor die middag of de volgende dag. Hierop heeft de klantmanager aan appellante uitgelegd dat een huisbezoek noodzakelijk is om de rechtmatigheid van de uitkering te beoordelen en om het recht vast te stellen en is appellante nogmaals in de gelegenheid gesteld in te stemmen met een huisbezoek. Daarbij is haar voorgehouden dat als zij niet instemt met een huisbezoek, de rechtmatigheid van de uitkering niet kan worden vastgesteld en zal worden beëindigd. Appellante heeft vervolgens in haar weigering volhard en is weggelopen.

1.4. Bij besluit van 7 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2010 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken). Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting om alle medewerking te verlenen die nodig is om de WWB uit te voeren, aangezien zij een huisbezoek heeft geweigerd. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar broer tijdens het gesprek op 2 maart 2010 aan het dagelijks bestuur had gemeld dat hij vanaf 3 augustus 2009 bij appellante inwoonde. Hieruit volgt dat appellante er op mocht vertrouwen dat het dagelijks bestuur voldoende was geïnformeerd over haar woon- en leefsituatie en voorts, dat appellante heeft mogen aannemen dat het dagelijks bestuur vroegtijdig op de hoogte was van de inwoning en dat er bijna zeven maanden later geen redelijke grond meer bestond voor een dringend huisbezoek.

De rechtbank heeft ten onrechte voetstoots aangenomen dat de handtekeningen van appellante op de inkomstenverklaringen vanaf september 2009 een andere verschijningsvorm hadden gekregen. Bij nadere beschouwing blijken de handtekeningen alle door appellante te zijn gezet. Bij de beoordeling van de noodzaak voor het huisbezoek heeft de rechtbank verzuimd een verband te leggen met het bij het dagelijks bestuur bekende gegeven van de kwetsbare geestelijke gesteldheid van appellante. Het dagelijks bestuur was, gelet op de geestelijke gesteldheid van appellante, gehouden om 27 maart 2010 later op de dag een afspraak voor een huisbezoek ter plaatse te maken met appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in dit geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 17 februari 2010 tot en met 7 april 2010.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 februari 2011, LJN BP3831) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van

24 november 2009, LJN BK4057, is van een dergelijke grond sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur, gelet op de volgende, onder 1.1 en 1.2 vermelde feiten en omstandigheden redelijkerwijs heeft kunnen twijfelen aan de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie. Appellante heeft niet gereageerd op twee uitnodigingen. Zij heeft de opschortingsbrief van

23 februari 2010 niet opgehaald bij het postkantoor. De broer van appellante heeft geweigerd om op 2 maart 2010 medewerking te verlenen aan een huisbezoek. Hetgeen appellante zelf op 23 maart 2010 heeft verklaard. Het is tegen deze achtergrond voorts op zichzelf goed voorstelbaar dat de door het dagelijks bestuur geconstateerde gewijzigde verschijningsvorm van de handtekeningen van appellante op de inkomstenverklaringen vanaf september 2009 de bij het dagelijks bestuur gerezen twijfel heeft versterkt.

4.4. De onder 4.3 genoemde feiten en omstandigheden leveren een redelijke grond op voor het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek. Het dagelijks bestuur heeft onder de gegeven omstandigheden van appellante daarom kunnen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan een direct aansluitend aan het gesprek op 23 maart 2010 af te leggen huisbezoek.

4.5. Alleen een zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een - onaangekondigd - huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking. Het is aan appellante om aannemelijk te maken dat een dergelijke zwaarwegende reden bestond. Daarin is appellante niet geslaagd.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het gesprek op 23 maart 2010 in een zodanige geestelijke toestand is geraakt dat medewerking aan een huisbezoek niet van haar kon worden gevergd. Uit de verklaringen van appellante tijdens dit gesprek en het waargenomen gedrag, zoals neergelegd in het verslag, kan dit niet worden afgeleid. De enkele verklaring van appellante achteraf is daartoe, reeds gelet op het ontbreken van objectieve medische gegevens, onvoldoende.

4.6. Voor zover appellante met haar standpunt, dat het dagelijks bestuur op de hoogte was van de inwoning van haar broer, heeft willen betogen dat zij erop mocht vertrouwen dat zij recht was blijven behouden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, slaagt dit betoog niet. Niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van het dagelijks bestuur waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M. Tason Avila

HD