Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
10-4200 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van de WWIK-uitkering. Geen bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum van de WWIK-uitkering rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4200 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2010, 10/512 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 4 augustus 2009 heeft appellante een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) ingediend. Bij besluit van 6 november 2009 is die uitkering aan haar met ingang van 4 augustus 2009 toegekend.

1.2. Bij brief van 24 november 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de WWIK-uitkering en gesteld dat zij vanaf november 2008 recht heeft op een WWIK-uitkering.

1.3. Bij besluit van 27 januari 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2009 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

1.4. Het college heeft op 23 maart 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), het bestreden besluit 1 herzien en het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het betreft bestreden besluit 2.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Appellante heeft bij haar aanvraag niet verzocht om haar met terugwerkende kracht vanaf november 2008 een WWIK-uitkering toe te kennen. Anders dan appellante heeft betoogd heeft het college dit ook niet hoeven af te leiden uit de opmerking van appellante op het aanvraagformulier dat door het plotselinge overlijden van haar moeder in november 2008 haar opgebouwde reserve is opgeraakt, waardoor schulden zijn ontstaan. Daarbij is van belang dat appellante op het aanvraagformulier tevens te kennen heeft gegeven dat de behoefte aan een WWIK-uitkering is ontstaan, omdat zij geen contractverlenging voor de komende maanden heeft gekregen en dat hierdoor haar hoofdinkomsten komen te vervallen.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante zich op een eerdere datum heeft gemeld om een aanvraag in te dienen. Het college heeft dat ook ontkend en appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.3. Dat appellante vanwege het plotselinge overlijden van haar in Suriname wonende moeder in november/december 2008 een periode in Suriname heeft doorgebracht is onvoldoende om aan te nemen dat zij buiten staat was om op een eerder tijdstip een aanvraag in te dienen. In dat verband is tevens van betekenis dat appellante op 5 en 8 december 2008 al weer contact heeft gehad met de Dienst Werk en Inkomen over een terugvordering en dat zij zich op 16 juni 2009 heeft ingeschreven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voorts heeft appellante geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij niet eerder tot het indienen van een aanvraag in staat is geweest. De omstandigheid dat de begrafenis van de moeder van appellante en het afwikkelen van de nalatenschap veel inspanning van appellante heeft gevergd, is geen bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum van de WWIK-uitkering rechtvaardigt. Het bestaan van schulden is dit evenmin. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestond de ingangsdatum op een eerdere datum te stellen dan op 4 augustus 2009.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) P.C. de Wit

HD