Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
11-156 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/156 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2010, 10/3915 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Verhagen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 4 september 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 14 december 2009 heeft het college de bijstand met ingang van 8 december 2009 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Appellant heeft zich op 17 februari 2010 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB. Het college heeft appellant vervolgens op 3 maart 2010, 4 maart 2010 en 25 maart 2010 uitgenodigd voor een intakegesprek. Appellant is op deze afspraken verschenen met een niet ingevuld en niet ondertekend aanvraagformulier en zonder bewijsstukken ter onderbouwing van zijn aanvraag. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant onvoldoende gegevens heeft overlegd. Op 8 april 2010 heeft appellant alsnog de benodigde gegevens aan het college verstrekt. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college appellant met ingang van 17 februari 2010 bijstand toegekend.

1.2. Bij besluit van 8 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 29 april 2010 gemaakte bezwaar onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie van 8 juli 2010 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de ingangsdatum van de bijstand op juiste gronden op 17 februari 2010 is bepaald. Het taalprobleem van appellant maakt dit niet anders omdat hij hulp had kunnen zoeken of een derde had kunnen inschakelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 44 van de WWB luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.

3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.”

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of in voorkomende gevallen een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich in de periode van 8 december 2009 tot 17 februari 2010 diverse malen tot zijn contactpersoon bij de gemeente Amstelveen heeft gewend. Appellant heeft deze stelling niet nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Vaststaat dat appellant zich op 8 februari 2010, 10 februari 2010 en 17 februari 2010 bij het UWV heeft vervoegd. Van een melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB was op 8 en 10 februari 2010 evenwel geen sprake omdat de identiteit van appellant op deze data niet kon worden vastgesteld. Eerst op 17 februari 2010 heeft appellant zich gemeld bij het UWV. Niet is gebleken dat appellant zich daar al op een eerder moment voor bijstand heeft gemeld of op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat appellant buiten staat was tot het doen van een eerdere melding of het eerder indienen van een aanvraag. De stelling dat appellant door zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal niet zelf in staat was op een eerder moment een aanvraag in te dienen kon niet worden gevolgd nu hij daarvoor zonodig hulp bij derden had kunnen inroepen. Ook de stelling dat appellant schulden heeft opgebouwd vormt geen bijzondere omstandigheid die een eerdere ingangsdatum dan 17 februari 2010 rechtvaardigt.

4.4. Hetgeen door appellant nog is aangevoerd omtrent zijn niet te openen brievenbus heeft betrekking op het in rechte onaantastbaar geworden besluit tot intrekking van de bijstand per 8 december 2009 en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) P.C. de Wit

HD