Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
12-268 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft terecht de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/268 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2011, 09/3614 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. D. Gürses, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Namens appellant is mr. Gürses verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 16 december 2002 uitgevallen voor zijn werk als schoonmaker. Met ingang van 15 december 2003 heeft het Uwv appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Na medisch en arbeidskundig heronderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 november 2008 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 januari 2009 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor het vervullen van passende functies. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juli 2009 (bestreden besluit) gegrond verklaard en de WAO-uitkering is per 26 januari 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming psychiater J. Rübsaam geraadpleegd. In zijn rapport van 10 februari 2011 en zijn aanvullende reactie van 17 augustus 2011 heeft deze deskundige geconcludeerd dat er ten tijde van de datum in geding bij betrokkene sprake was van een dysthyme stoornis. De deskundige heeft onvoldoende aanwijzingen gevonden om de behandelend psychiater E.D.H. Oor te volgen in zijn visie dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis, zoals beschreven in het classificatiesysteem DSM-IV. De door de deskundige vastgestelde stoornis heeft slechts beperkte gevolgen voor het verrichten van arbeid. Ook de mogelijk aanwezige theatrale en narcistische persoonlijkheidskenmerken zijn in het arbeidsproces niet structureel belemmerend. De door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 juni 2009, acht de deskundige correct.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen en conclusies van deskundige Rübsaam niet te volgen. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat Rübsaam zijn oordeel heeft gebaseerd op uitvoerig uitgevoerd eigen onderzoek en na kennisneming van alle in het dossier aanwezige, op betrokkene betrekking hebbende medische stukken, waaronder de rapportages van de behandelend psychiater Oor. Bovendien heeft de deskundige dit oordeel inzichtelijk en afdoende gemotiveerd en heeft hij in een nader rapport van 17 augustus 2011 aangegeven in het commentaar op zijn rapport van 10 februari 2011 geen aanleiding te zien zijn conclusies te herzien of het eerder uitgebrachte rapport te wijzigen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

3.1. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte de deskundige heeft gevolgd, daar deze geheel voorbij is gegaan aan de visie van de behandelaar, psychiater Oor. In verband met zijn psychische klachten zijn in de FML onvoldoende beperkingen aangenomen in de rubrieken sociaal en persoonlijk functioneren. Hij acht de geduide functies dan ook niet passend.

3.2. Verweerder heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat beginsel af te wijken is niet gebleken. Naar aanleiding van de reactie van de behandelend psychiater Oor heeft de deskundige zijn standpunt zorgvuldig heroverwogen en zijn conclusies gehandhaafd. Nu appellante in hoger beroep geen andersluidende medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Voor het benoemen van een deskundige, zoals door appellant verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen worden de functies die aan de schatting ten grondslag liggen als voor appellant in medisch opzicht geschikt geacht.

4.3. Uit het overwogene onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven

EV