Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
10-6362 AW + 10-6363 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beoordeling. Twee periodes. In eerste periode onvoldoende feitelijke grondslag. In tweede periode voldoende aannemelijk geworden dat het functioneren van appellant tekortkomingen vertoonde op zowel het onderdeel werk van anderen organiseren en de daarbij benodigde contactuele vaardigheden als op het punt van houding en in het bijzonder de getoonde motivatie voor de werkzaamheden van projectleider. Voorts zijn de negatieve scores in de beoordeling met voldoende objectieve gegevens en concrete voorbeelden onderbouwd. Geen aanleiding om aan te nemen dat de directeur-generaal de gegeven B-scores bij de beoordeling van appellant op onjuiste wijze heeft toegepast. Aan de toekenning van periodieke salarisverhogingen heeft appellant niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de directeur-generaal zijn functioneren voldoende achtte. De directeur-generaal heeft toegelicht dat het toekennen van de periodieke verhoging berustte op het gegeven dat nog geen negatieve beoordeling was vastgesteld. 2) Eervol ontslag, aangezien appellant ongeschikt wordt geacht voor het vervullen van zijn functie op het niveau van salarisschaal 10. Appellant is ten onrechte een verbeterkans onthouden, reden waarom moet worden geoordeeld dat de directeur-generaal ten tijde van het ontslag niet bevoegd was om appellant op de gebruikte grond te ontslaan. Nu appellant te kennen heeft gegeven niet naar het CBS te willen terugkeren bestaat geen aanleiding om het ontslagbesluit te herroepen maar zal de Raad, ter finale beslechting van dit geschil, bepalen dat het aan appellant verleende ontslag ingaat op zes maanden na 1 oktober 2009, te weten 1 april 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6362 AW, 10/6363 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 13 oktober 2010, 10/38 (aangevallen uitspraak 1) en 10/473 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Directeur-generaal van de Statistiek (directeur-generaal)

Datum uitspraak 26 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

De directeur-generaal heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de gedingen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgehad op 19 januari 2012. Appellant is verschenen. De directeur-generaal heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. van Vliet en [naam leidinggevende].

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Bij brief van 29 februari 2012 respectievelijk 5 maart 2012 hebben appellant en de directeur-generaal te kennen gegeven dat een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarom het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2000 in dienst getreden van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In aansluiting op werkzaamheden als HBO trainee is appellant in 2005 benoemd als procesmanager, een functie op het niveau van salarisschaal 10, bij de Divisie Sociale en Ruimtelijke Statistieken, Sector Dataverzameling (Divisie SRS).

1.2. Met ingang van 1 oktober 2006 is appellant ontheven uit de functie van procesmanager en benoemd in de functie van gegevensanalist van de taakgroep Ondersteuning, eveneens een functie op het niveau van salarisschaal 10, bij Divisie SRS. Aan appellant zijn de werkzaamheden van projectleider Helpdesk & Support (projectleider) opgedragen. Medio 2007 heeft een functioneringsgesprek met appellant plaatsgevonden. Vastgesteld wordt dat appellant en zijn leidinggevende, [naam leidinggevende], niet tevreden zijn over de manier waarop appellant als projectleider functioneert. Appellant heeft te kennen gegeven zich te oriënteren op de interne en de externe arbeidsmarkt. Naar aanleiding van de beoordeling, die eind 2007 is opgemaakt, is door appellant en zijn leidinggevende geconcludeerd dat appellant voor zijn huidige functie weinig gemotiveerd is en dat de vraag kan worden gesteld of hij op de juiste plek zit. Naar aanleiding van de door appellant tegen de opgemaakte beoordeling ingebrachte bedenkingen heeft de directeur-generaal besloten dat een nieuwe beoordeling medio 2008 zal worden opgemaakt. Ook zal in januari 2008 een functioneringsgesprek met appellant worden gehouden, waarin concrete verbeterpunten worden afgesproken. Tweewekelijks zullen de vorderingen op de verbeterpunten met appellant worden besproken.

Tijdens het op 7 februari 2008 gehouden functioneringsgesprek is vastgesteld dat appellant nog onvoldoende kennis heeft van het werkterrein, een gebrek aan inspiratie heeft, veel problemen ervaart bij het organiseren van het werk van anderen en dat zijn schriftelijke en contactuele vaardigheden tekort schieten. Op genoemde onderdelen zijn met appellant concrete verbeteracties afgesproken.

1.3. De directeur-generaal heeft bij besluit van 31 maart 2008 in verband met een herziening van het functiegebouw met ingang van 1 april 2008 de functienaam van de functie van appellant gewijzigd. De nieuwe naam van de functie is die van statistisch analist. De functieschaal is ongewijzigd gebleven.

1.4. De directeur-generaal heeft bij besluit van 28 april 2008 appellant scholingsfaciliteiten toegekend voor de studie ‘Opleiding tot erkend hypotheekadviseur’.

1.5. Tijdens het op 7 juli 2008 gehouden functioneringsgesprek wordt vastgesteld dat de helpdesk, waarvoor appellant eindverantwoordelijk is, slecht functioneert en dat de resultaten achterblijven. Opnieuw wordt gesproken over de motivatie van appellant voor zijn functie, nu gebleken is dat hij zijn werk zonder veel inspiratie uitoefent. Tot slot wordt gesproken over de mobiliteitswens van appellant.

1.6. De direct leidinggevende van appellant heeft op 29 augustus 2008 een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant gedurende de periode 1 januari 2007 tot 29 augustus 2008 in de functie van gegevensanalist (projectleider Helpdesk & Support). Vastgesteld is dat appellant op een enkel punt vooruit is gegaan, maar op cruciale punten nog tekortschiet. In ieder geval is zijn functioneren kwalitatief als onvoldoende beoordeeld. Onder de aanduiding ‘geadviseerde beheersbeslissing’ is - onder meer - het volgende opgemerkt: Het functioneren van appellant is nog steeds onvoldoende. Dat kan zo niet verder gaan. Na vaststelling van deze beoordeling worden zoveel als mogelijk wekelijks voortgangsgesprekken gehouden. De verkorte beoordeling in december wordt vervangen door een extra functioneringsgesprek. Eind maart 2009 volgt opnieuw een formele personeelsbeoordeling. Op basis daarvan kan in het uiterste geval, bij het voortduren van ondermaats functioneren, een ontslagprocedure worden ingezet op grond van ongeschiktheid voor de functie.

1.7. Tijdens het op 3 februari 2009 gehouden functioneringsgesprek heeft de leidinggevende van appellant opgemerkt dat het functioneren van de helpdesk niet of nauwelijks is verbeterd. Datzelfde geldt voor de relatie tussen appellant en de medewerkers van de helpdesk. Opgemerkt is dat de werkhouding van appellant is verbeterd. Wel wordt twijfel uitgesproken over de houdbaarheid daarvan op langere termijn. Vastgesteld is dat appellant zijn opleiding tot hypotheekadviseur met goed gevolg heeft voltooid, maar een concrete kans voor een externe functie bij een makelaarskantoor aan zich voorbij heeft laten gaan.

1.8. Op 17 februari 2009 is met appellant gesproken over zijn functioneren. Aan appellant is te kennen gegeven dat van gewoon verder gaan bij CBS geen sprake kan zijn. Hij zal zijn functioneren moeten verbeteren. Indien dat onvoldoende blijkt zal ontslag volgen. Afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het onderzoeken van de mogelijkheden om appellant te faciliteren bij het vinden van een baan buiten het CBS.

1.9. Appellant is begin februari 2009 tijdelijk te werkgesteld als Medewerker Ondersteuning bij de taakgroep Support in het kader van de pilot dataverzameling. Er zijn werkafspraken gemaakt van 1 maart 2009 tot 1 maart 2010. Bij besluit van 7 mei 2009 heeft de directeur-generaal deze tijdelijke plaatsing geformaliseerd. Daarbij is opgemerkt dat de ingangsdatum voor de plaatsing is vastgesteld op 1 april 2009 en duurt tot het moment dat het functioneringstraject is afgerond, of anders tot het einde van de pilot.

1.10. Op 3 en 12 maart 2009 zijn vervolggesprekken gehouden met appellant over zijn functioneren als projectleider. Aan appellant is te kennen gegeven dat zijn functioneren in de functie van projectleider steeds benedenmaats is geweest. Appellant heeft opgemerkt dat hij nu een functie heeft die bij hem past en aansluit bij wat hij in het verleden heeft gedaan.

1.11. De direct leidinggevende van appellant heeft op 17 april 2009 een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant gedurende de periode van 29 augustus 2008 tot 17 april 2009. Geconcludeerd is dat appellant zijn functioneren op de met hem besproken punten niet heeft verbeterd. Als beheersbeslissing wordt geadviseerd een traject tot ongeschiktheidsontslag in te zetten. Deze beoordeling is appellant meegegeven op 1 mei 2009. Hem is verteld dat het voorstel om de ontslagprocedure in te gaan betekent dat hij vanaf dat moment is vrijgesteld van arbeid tot het moment van ontslag.

1.12. Op 30 juni 2009 heeft de directeur-generaal de ten aanzien van appellant opgemaakte beoordeling over de periode van 29 augustus 2008 tot 17 april 2009 ( beoordeling), na weging van de daartegen ingebrachte bedenkingen van appellant, vastgesteld. Het bezwaar van appellant tegen de beoordeling is bij besluit van 30 november 2009 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.13. Bij brief van 6 augustus 2009 is appellant in kennis gesteld van het voornemen hem wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie van medewerker ondersteuning (meer specifiek de werkzaamheden als projectleider Helpdesk & Support) te ontslaan.

1.14. Nadat appellant op het voornemen tot ontslag zijn zienswijze had gegeven, is hem bij besluit van 18 september 2009 op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR met ingang van 1 oktober 2009 eervol ontslag verleend, aangezien hij ongeschikt wordt geacht voor het vervullen van zijn functie op het niveau van salarisschaal 10. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 maart 2010 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 is het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 (samengevat) het standpunt ingenomen dat bij de beoordeling geen goede toepassing is gegeven aan de door de directeur-generaal gehanteerde WFBB-cyclus. De gegeven scores zijn niet juist geïnterpreteerd, onvoldoende duidelijk is gemaakt op welke punten verbetering nodig was, met hem zijn geen concreet geformuleerde afspraken gemaakt ter verbetering van zijn functioneren, de beoordelingsperiode is te kort geweest, de gevoerde voortgangsgesprekken waren niet intensief, maar steeds erg kort. Bij de beoordeling is ten onrechte de functievervulling per 1 februari 2009 niet betrokken. Naar de mening van appellant is de negatieve beoordeling niet met voldoende concrete feiten onderbouwd en sluit deze niet aan bij het gegeven dat hij steeds in aanmerking is gebracht voor periodieke verhogingen.

Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant, naast de tegen de aangevallen uitspraak 1 aangevoerde gronden, naar voren gebracht dat de directeur-generaal hem ten onrechte niet heeft overgeplaatst naar een passende functie binnen het CBS.

De directeur-generaal heeft de Raad verzocht beide aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1. Vaststaat dat aan appellant in de periode van 29 augustus 2008 tot begin februari 2009 de werkzaamheden als projectleider Support & Helpdesk zijn opgedragen. Vanaf begin februari 2009 heeft appellant werkzaamheden verricht als medewerker ondersteuner bij de taakgroep Support. Ter zitting is gebleken dat eind februari/begin maart 2009 voor de directeur-generaal is komen vast te staan dat het functioneren van appellant als projectleider steeds onvoldoende is geweest en dat verbetering van dat functioneren niet is te verwachten. Daarbij is opgemerkt dat deze verwachting ook betrekking heeft op de functie die appellant vanaf februari 2009 vervulde.

4.2. Appellant heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij niet betwist dat zijn functioneren als projectleider niet (geheel) aan de norm voldeed. Hij stelt zich op het standpunt dat de negatieve beoordeling niet tevens betrekking kan hebben op de functie, die hij vanaf begin februari 2009 vervulde. Hem zijn naar zijn mening onvoldoende verbeterkansen geboden, in ieder geval waar het betreft de laatstelijk door hem vervulde functie.

4.3. Blijkens de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht staat vast dat op 3 februari 2009 het functioneren van appellant als projectleider is beoordeeld. Aan appellant is toen te kennen gegeven dat hij dat functioneren moet verbeteren. Vervolgens is hem begin februari 2009 de functie van medewerker ondersteuner taakgroep Support opgedragen. Ook tijdens het gesprek op 17 februari 2009 is appellant te kennen gegeven dat hij zijn algehele functioneren moet verbeteren en dat bij uitblijven van verbetering ontslag zal volgen. Eind februari/begin maart 2009 heeft de directeur-generaal op basis van de toen beschikbare gegevens vastgesteld dat verbetering niet meer mogelijk is. Daarna is de beoordeling over de periode 29 augustus 2008 tot 17 april 2009 vastgesteld.

4.4. Op basis van hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is vastgesteld wordt aanleiding gezien om aan te nemen dat de beoordeling uitsluitend betrekking heeft op het functionering van appellant als projectleider en daarom beperkt had moeten zijn tot de periode 29 augustus 2008 tot begin februari 2009. Uitgaande van het op 3 februari 2009 gehouden functioneringsgesprek en het feit dat appellant meteen daarna een andere functie ging vervullen wordt verder aanleiding gezien om aan te nemen dat de beoordelingsperiode zich feitelijk niet verder uitstrekt dan tot die datum. Voor zover de beoordeling tevens ziet op het functioneren van appellant in de periode van 4 februari 2009 tot 17 april 2009 wordt geconcludeerd dat voor die beoordeling feitelijke grondslag ontbreekt. Het bestreden besluit 1 en de aangevallen uitspraak 1 komen in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Voorts ziet de Raad aanleiding om de beoordeling van 30 juni 2009 in zoverre te herroepen.

4.5. Waar het betreft de beoordeling over de periode van 29 augustus 2008 tot 4 februari 2009 overweegt de Raad het volgende.

4.5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 27 augustus 2009, LJN BJ7050 en TAR 2010,12) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust.

4.5.2. Op grond van het uitgebreide dossier en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat het functioneren van appellant tekortkomingen vertoonde op zowel het onderdeel werk van anderen organiseren en de daarbij benodigde contactuele vaardigheden als op het punt van houding en in het bijzonder de getoonde motivatie voor de werkzaamheden van projectleider. Voorts zijn de negatieve scores in de beoordeling met voldoende objectieve gegevens en concrete voorbeelden onderbouwd. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat de directeur-generaal de gegeven B-scores bij de beoordeling van appellant op onjuiste wijze heeft toegepast. Aan de toekenning van periodieke salarisverhogingen heeft appellant niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de directeur-generaal zijn functioneren voldoende achtte. De directeur-generaal heeft toegelicht dat het toekennen van de periodieke verhoging berustte op het gegeven dat nog geen negatieve beoordeling was vastgesteld. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd is geen reden om de beoordeling onhoudbaar te achten.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep inzake deze beoordeling, voor zover die betrekking heeft op de periode van 29 augustus 2008 tot 4 februari 2009, niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangevallen uitspraak 2

4.7. Bij besluit van 18 september 2009 is appellant met ingang van 1 oktober 2009 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Ter toelichting heeft de directeur-generaal gewezen op de opgemaakte beoordeling van 17 april 2009. Nu volgens de directeur-generaal redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het functioneren binnen afzienbare tijd wel zal verbeteren tot het vereiste niveau, is geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor de functie van medewerker ondersteuner. Daarnaast is geconcludeerd dat ook op een lager niveau niet te verwachten is dat appellant aan de gestelde eisen zou voldoen. De door appellant ingenomen houding en het door hem betoonde gedrag (niet-betrokken, niet-gemotiveerd en niet-geïnspireerd) hebben tot de conclusie geleid dat appellant ongeschikt is voor zijn huidige, dan wel voor een andere functie binnen het CBS.

4.8. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep ten aanzien van dit ontslag naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.8.1. Op basis van hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is vastgesteld wordt aanleiding gezien om aan te nemen dat het gehandhaafde ontslagbesluit (bestreden besluit 2) uitsluitend gebaseerd is op de beoordeling die is opgemaakt met betrekking tot het functioneren van appellant als projectleider.

4.8.2. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 de in het bestreden besluit 2 opgenomen ontslaggrond beoordeeld met inachtneming van de juiste, aan vaste rechtspraak van de Raad ontleende, maatstaf. De Raad verwijst hiernaar.

4.8.3. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hem niet voldoende duidelijk is gemaakt dat zijn functioneren als projectleider verbetering behoefde en dat met hem geen concrete verbeteracties zijn besproken. De rechtbank is met juistheid nagegaan of appellant ten onrechte een verbeterkans is onthouden. Haar oordeel dat dit niet het geval is, wordt onderschreven. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.9. Op basis van hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is vastgesteld moet worden geoordeeld dat appellant eind februari/begin maart 2009, werd overvallen door de opstelling van de directeur-generaal dat het vanaf begin februari 2009 ingeslagen - en medio februari 2009 nog bevestigde - traject, waarbij hem werkzaamheden zijn opgedragen bij de taakgroep Support, niet wordt voortgezet. Blijkens hetgeen in 4.4 is overwogen is geen beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant over de periode 4 februari 2009 tot 17 april 2009. Voor de conclusie van de directeur-generaal dat de gedragsaspecten van appellanten met zich brengen dat hij evenzeer voor een andere, lagere functie bij het CBS ongeschikt is kan niet zonder meer verwezen worden naar de opgemaakte beoordeling, te meer niet nu tijdens het functioneringsgesprek van 3 februari 2009 is opgemerkt dat de werkhouding van appellant is verbeterd. Door appellant op 1 mei 2009 mee te delen dat van hem geen werkzaamheden meer worden verlangd tot de datum van ontslag (1 oktober 2009) is hem de kans ontnomen zich bij de uitvoering van de nieuwe werkzaamheden te bewijzen. Hiervoor bestond alle aanleiding nu, zoals onder 1.10 is vermeld, de nieuwe werkzaamheden veel beter bij appellant pasten.

4.10. Appellant had die verbeterkans niet mogen worden onthouden, reden waarom moet worden geoordeeld dat de directeur-generaal ten tijde van het ontslag niet bevoegd was om appellant op de gebruikte grond te ontslaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 2 en bestreden besluit 2 moeten worden vernietigd. Nu appellant te kennen heeft gegeven niet naar het CBS te willen terugkeren bestaat geen aanleiding om het ontslagbesluit te herroepen maar zal de Raad, ter finale beslechting van dit geschil, bepalen dat het aan appellant verleende ontslag ingaat op zes maanden na 1 oktober 2009, te weten 1 april 2010. Ter voorlichting van partijen wordt daarbij opgemerkt dat dit betekent dat appellant nog recht heeft op nabetaling van bezoldiging over die zes maanden, met wettelijke rente. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 5 juni 2008, LJN BD5395 en TAR 2009, 8) mag daarop door het bestuursorgaan in mindering worden gebracht de in de desbetreffende periode genoten inkomsten uit arbeid en/of een door het bestuursorgaan betaalde bovenwettelijke ontslaguitkering. Niet in mindering mag worden gebracht een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

5. Er bestaat aanleiding om de directeur-generaal te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op (€ 2 x 2 x 437 1e aanleg wegens verleende rechtsbijstand = 1.748,- + reiskosten Heerlen bij ons) € 45,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover betrekking hebbend op de beoordelingsperiode

4 februari 2009 tot 17 april 2009;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2009 gegrond en vernietigt dat

besluit voor die beoordelingsperiode;

- herroept het beoordelingsbesluit van 30 juni 2009 in zoverre;

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat het aan appellant bij besluit van 18 september 2009 verleende ontslag ingaat per

1 april 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

3 maart 2010;

- bepaalt dat de directeur-generaal aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 748,- vergoedt;

- veroordeelt de directeur-generaal in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.793,40.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P. Venema en Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.R. Schuurman

HD