Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
10-7127 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht ontstaan op een WIA-uitkering. Geen twijfel aan de medische grondslag. Geen aanknopingspunten het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7127 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 november 2010, 10/892 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.G.M. van der Meer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweeerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft op die stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Namens appellante is mr. Van der Meer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 14 augustus 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts op inzichtelijke en overtuigende wijze heeeft onderbouwd dat appellante niet meer beperkt is dan de verzekeringsarts eerder heeft vastgesteld. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank niet met medisch onderbouwde gegevens aannemelijk gemaakt dat de (bezwaar)verzekeringsartsen haar beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid hebben onderschat.

2.2. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat haar belastbaarheid is overschat, onder verwijzing naar verschillende in hoger beroep ingezonden brieven van behandelend artsen.

3.1. De in hoger beroep ingezonden medische stukken geven onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemmer heeft op navolgbare wijze uiteengezet dat de bevindingen van de orthopaedisch chirurg J.P.A.H. Onderwater niet verklarend kunnen zijn voor de zeer forse pijnklachten en belemmeringen die appellante ervaart. Bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Boersema heeft in reactie op de verklaringen van de anesthesioloog pijnspecialist dr. A.C.M. Vervest, bij wie appellante op 2 november 2010 op intake-gesprek kwam, aangegeven dat het door Vervest beschreven beeld van de waargenomen pijn bij onderzoek ook eerder door andere artsen, is waargenomen en beschreven. Die pijnklachten zijn anders geduid door de verzekeringsartsen en door de revalidatiearts. De verzekeringsartsen achten appellante echter vanwege de discrepantie tussen de gevonden afwijkingen en de ervaren klachten en belemmeringen, op objectief medische gronden minder beperkt dat appellante zelf aangeeft. Het gaat hier om een goed gemotiveerd standpunt, waarbij op goede gronden voorbij is gegaan aan de inschatting van Vervest dat appellante niet naar behoren werkzaamheden kan verrichten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Vervest terecht het standpunt heeft ingenomen dat hij als anesthesioloog pijnspecialist de functionele mogelijkhedenlijst niet kan beoordelen. Niettemin heeft Vervest zich zonder nadere argumentatie uitgelaten over de werkmogelijkheden van appellante, terwijl in essentie de door Vervest geconstateerde anatomische afwijkingen niet afwijken van de door de verzekeringsartsen gevonden afwijkingen.

3.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde arbeidsbeperkingen, ziet de Raad geen aanknopingspunten het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden.

3.3. Het hoger beroep slaagt niet.

3.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor.

(getekend) G.J. van Gendt.

IvR