Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
10-417 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering nabestaandenuitkering. Rechtsgeldigheid huwelijk naar Venezolaans recht. De Svb is terecht uitgegaan van het bestaan van een huwelijk in de zin van de ANW. Geen bijzondere omstandigheden die tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Consistente toepassing buitenwettelijk begunstigend beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/417 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 december 2009, 08/2976 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 27 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Geerings, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door

mr. Geerings. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft hij het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft appellant een reeds overgelegde Venezolaanse huwelijksakte in Nederlandse vertaling toegestuurd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend, die nadien is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2. Op 30 oktober 2006 heeft de Svb de informatie van de GBA ontvangen dat appellant op 13 november 2001 in het huwelijk is getreden en dat dit huwelijk op 19 oktober 2006 is ontbonden.

1.3. Bij besluit van 29 december 2006 heeft de Svb het recht van appellant op uitkering ingevolge de ANW herzien omdat hij gehuwd is geweest in de periode van 13 november 2001 tot en met 19 oktober 2006. Het recht op nabestaandenuitkering ingevolge de ANW is beëindigd per 30 november 2001 in verband met dit huwelijk en vastgesteld is dat aan appellant

€ 62.710,95 te veel is betaald.

1.4. Bij het bestreden besluit van 11 juli 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van

29 december 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat sprake is (geweest) van een huwelijk in de zin van de ANW, dat een wijzigingsformulier met vermelding van het huwelijk niet is ontvangen en dat geen telefoonnotitie is gevonden over uitspraken in 2001 van medewerkers van de Svb over de gevolgen van dit huwelijk.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het te Venezuela gesloten huwelijk niet rechtsgeldig is, dat door een medewerker van de Svb telefonisch is meegedeeld dat de huwelijksakte geen gevolgen zou hebben voor zijn uitkering en dat hij wel voldaan heeft aan de inlichtingenplicht. De Svb is volgens hem al in 2001 op de hoogte gesteld van het huwelijk. Appellant heeft erop gewezen dat hij een bijstandsuitkering had kunnen aanvragen als de nabestaandenuitkering in 2001 zou zijn beëindigd. De nabestaandenuitkering kan dan ook niet eerder worden beëindigd dan met ingang van

29 december 2006.

4.1. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of sprake is geweest van een huwelijk in de zin van de ANW, en zo ja, of het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan herziening van het recht op uitkering met terugwerkende kracht. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder b van de ANW eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande in het huwelijk treedt. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat op 13 november 2001 te Venezuela weliswaar een huwelijksakte is opgemaakt doch dat geen rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen. De akte is niet, zoals door het Venezolaanse recht voorgeschreven, ingeschreven in het huwelijksregister aldaar.

4.2. Deze stelling vindt geen steun in de door appellant op verzoek van de Raad overgelegde vertaling van een akte. In die akte, opgemaakt op 28 november 2001, verklaart de prefect van de gemeente [naam gemeente] te Venezuela dat in het Boek Huwelijken van het Bevolkingsregister een akte is opgenomen aangaande het huwelijk van appellant met [naam] op 13 november 2001 te [naam gemeente], Venezuela. Wat er ook zij van de stelling van appellant dat inschrijving van de huwelijksakte een voorwaarde is voor een naar Venezolaans recht rechtsgeldig huwelijk, in het onderhavige geval heeft die inschrijving plaatsgevonden. De Svb is naar het oordeel van de Raad terecht uitgegaan van het bestaan van een huwelijk in de zin van de ANW. Dat appellant, zoals hij stelt, het huwelijk louter heeft gesloten om te bewerkstelligen dat zijn kort nadien geboren kind door hem is erkend, kan hier niet aan afdoen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder b van de ANW bestond geen recht op uitkering meer.

4.3. Uit artikel 34, eerste lid, van de ANW, volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. Een beroep op het vertrouwensbeginsel, zoals appellant heeft gedaan, kan alleen slagen als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft gesteld dat hij zich telefonisch heeft laten voorlichten door een medewerker van de Svb van de vestiging [plaatsnaam]. Deze stelling vindt echter geen steun in de gedingstukken. De Svb heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat het dossier van appellant met het oog op deze stelling is nagezocht, ook het dossier dat de Svb heeft over appellants recht op kinderbijslag ingevolge de AKW, doch dat van een dergelijk gesprek geen notitie is aangetroffen. Bij gebreke van een onderbouwing van de gestelde toezegging, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

4.4. Met betrekking tot appellants stelling dat herziening niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden, is het volgende van belang. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.5. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 5 november 2010 (LJN BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.6. De Raad is niet gebleken dat de Svb voormeld beleid in deze zaak niet consistent heeft toegepast. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat appellant het huwelijk in 2001 al aan de Svb heeft gemeld. Appellant heeft weliswaar een door hem op 26 november 2001 ingevuld formulier van de Svb overgelegd, waarop hij heeft aangekruist dat sprake is van een huwelijk en van de geboorte van een kind op 23 november 2001 te Venezuela maar de Svb heeft gesteld dit stuk niet in appellants dossiers te hebben aangetroffen. Appellant heeft niet aangetoond dat hij dat formulier heeft verzonden aan de Svb. Appellant heeft voorts bij een bezoek aan de Svb op 16 januari 2002 geen aanleiding gezien de huwelijksakte aan de Svb over te leggen. In het verweerschrift in eerste aanleg en ter zitting van de rechtbank heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat appellant in maart 2003 wel indirect melding heeft gemaakt van zijn huwelijk. Dit betekent dat tussen partijen niet in geschil is dat vanaf maart 2003 geen sprake is van een schending van de mededelingsplicht.

4.7. Met betrekking tot de vraag of appellant, ervan uitgaande dat hij vanaf 2003 aan de inlichtingenplicht heeft voldaan, heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend, is van belang of het appellant duidelijk kon zijn dat sprake was van een rechtsgeldig huwelijk. Het uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente [naam gemeente], met daarin de vermelding dat de huwelijksakte is opgenomen in het Boek Huwelijken van het Bevolkingsregister, is opgemaakt op

28 november 2001. Het had appellant op dat moment duidelijk moeten zijn dat sprake was van een rechtsgeldig huwelijk. Bij de toekenning van een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW in 1998 is aan appellant uitdrukkelijk meegedeeld dat hertrouwen schriftelijk aan de Svb moet worden gemeld omdat dit een feit is dat het recht op uitkering kan beïnvloeden.

In hetgeen appellant voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad ten slotte, in het licht van het voorgaande, geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat in zijn geval sprake is van een kennelijk onredelijke toepassing van artikel 34 van de ANW als bedoeld in voornoemd beleid van de Svb. Dat appellant mogelijk in aanmerking zou zijn gekomen voor een bijstandsuitkering, zoals hij stelt, kan hier niet aan afdoen. Appellant heeft, terwijl hij had kunnen onderkennen dat er een rechtsgeldig huwelijk was en dat hij daardoor geen recht op uitkering ingevolge de ANW had, geen aanvraag voor een andere uitkering gedaan noch de Svb gevraagd de uitkering ingevolge de ANW te beëindigen. Evenmin heeft de Raad aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval ongeschreven rechtsregels zich verzetten tegen toepassing van artikel 34 van de ANW met terugwerkende kracht.

4.8. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestig.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.L. Schoor

RK