Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
10-4028 WWB + 10-4029 WWB + 11-1928 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4028 WWB, 10/4029 WWB, 11/1928 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juni 2010, 10/27 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (appellant)

[betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2), te Nijmegen

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft een nader besluit van 21 maart 2011 en het daartegen door betrokkene 1 ingediende beroepschrift aan de Raad doorgezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 10/7034 WWB en 11/238 WWB plaatsgevonden op 22 mei 2012, waar betrokkene 1 is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg, en waar het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkenen hebben op 19 mei 2009 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden gedaan. Bij besluit van 30 juli 2009 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkenen onvoldoende informatie hebben verstrekt en daarmee de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 7 december 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich toen op het standpunt gesteld dat betrokkenen de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, maar dat de verstrekte gegevens dusdanig onduidelijk zijn dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Zo is onduidelijkheid blijven bestaan over diverse geldopnames en overschrijvingen van de bankrekeningen van betrokkene 1, de auto van het merk Mazda die hij ter aflossing van een schuld aan zijn zus aan haar heeft overgedragen en de overdracht van zijn cafetaria in 2006 aan A. [A.] ([A.]) alsmede over de werkzaamheden van betrokkene 1 voor [A.].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van betrokkene 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat het enkele feit dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld geen grond oplevert voor afwijzing van een aanvraag om bijstand van betrokkene 1. Daarvoor is bovendien vereist dat de onmogelijkheid het recht vast te stellen wordt veroorzaakt door schending van de inlichtingenverplichting. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het op de weg van appellant had gelegen om betrokkene 1 in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij brief van 16 september 2010 betrokkene 1 om nadere gegevens gevraagd, zoals de verantwoording van zijn bankoverschrijvingen, een bewijsstuk van de overdracht van de cafetaria en het bestaan van een restschuld in verband daarmee, en een bewijsstuk van de schuld aan zijn zus. Bij brief van 28 september 2010 heeft de gemachtigde van betrokkene 1 gereageerd en is een verklaring van de zus van betrokkene 1 van 7 november 2010 overgelegd. Bij besluit van 21 maart 2011 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene 1 geen volledige en juiste informatie heeft verschaft met betrekking tot zijn inkomen en vermogen, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling wordt betrokken. De Raad is daarom bevoegd om het door de rechtbank doorgezonden beroep te beoordelen.

4.1 Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.2. Betrokkene 1 heeft zich op hierna te bespreken gronden gekeerd tegen het besluit van 21 maart 2011.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Indien als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB, kan een aanvraag om bijstand worden afgewezen. Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het als regel tevens noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van de belanghebbende in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode.

Het hoger beroep van het college (10/4028 WWB en 10/4029 WWB).

5.2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het enkele feit dat de door betrokkene 1 verstrekte gegevens onvoldoende duidelijk zijn, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld geen grond vormt voor afwijzing van de aanvraag om bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 10 november 2009, LJN BK3383) en anders dan appellant heeft aangevoerd is hiervoor vereist dat het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand het gevolg is van schending van de inlichtingenverplichting.

5.2.2. Voor zover appellant heeft betoogd dat de rechtbank in het bestreden besluit had moeten lezen dat de afwijzing mede was gebaseerd op artikel 17 van de WWB, kan dit niet slagen. Immers appellant heeft in het bestreden besluit nadrukkelijk en ondubbelzinnig opgenomen dat “er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, zodat die vermelding in het primaire besluit dient te vervallen”.

5.2.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het op de weg van appellant had gelegen om betrokkene 1 in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenssituatie. Naar aanleiding van de aanvraag hebben betrokkenen immers de door appellant gevraagde en voor de aanvraag benodigde stukken overgelegd. Indien deze stukken vragen oproepen waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen, zal appellant eerst concreet om nadere informatie moeten vragen teneinde deze onduidelijkheden weg te nemen. Nu appellant dit heeft nagelaten, is niet bekend welke nadere informatie het college nodig had en of betrokkenen tekort zijn geschoten in het leveren daarvan. Daarom kon van de rechtbank, anders dan appellant aanvoert, niet worden verwacht dat zij zelf voorziend aan het bestreden besluit ook artikel 17, eerste lid, van de WWB ten grondslag zou leggen.

5.2.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het besluit van 21 maart 2011 (11/1928 WWB).

5.3.1. Bij brief van 28 september 2010 heeft de gemachtigde van betrokkene 1 in reactie op het onder 3 omschreven verzoek van appellant nadere informatie verstrekt en een verklaring van de zus van betrokkene 1 overgelegd.

5.3.2. De door appellant gevraagde informatie is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of betrokkenen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De door betrokkene 1 verstrekte gegevens zijn evenwel onvoldoende om een inzicht te verkrijgen in zijn financiële situatie. Hij heeft immers geen afdoende verklaring gegeven voor bijvoorbeeld de geldopname van € 10.000,-- op 22 december 2008 van zijn betaalrekening, terwijl ook andere financiële transacties onduidelijkheden blijven oproepen. Dat het geld grotendeels zou zijn opgegaan aan gokschulden bij Holland Casino heeft betrokkene 1 in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Betrokkene 1 had ter zake bijvoorbeeld een verklaring over kunnen leggen van Holland Casino. Voorts heeft betrokkene 1 geen enkel stuk met betrekking tot de overdracht van de cafetaria aan [A.] in 2006 overgelegd. Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe een en ander financieel is afgewikkeld. Gelet op de vragen die de overschrijvingen en opnames van de bankrekeningen van betrokkene 1 opriepen mocht appellant informatie verlangen over de financiële afwikkeling van de overdracht van de cafetaria, ook al heeft die overdracht ruim twee jaar voor de bijstandsaanvraag plaatsgevonden. Ten slotte heeft betrokkene 1 niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelde, een schuld had aan zijn zus in verband waarmee hij de Mazda, vlak voor de aanvraag om bijstand, op haar naam liet zetten. De verklaring van 7 november 2009 van zijn zus is niet concreet over het tijdstip van ontstaan en de aard van de schuld, het bedrag van de schuld wordt niet genoemd en de verklaring is naderhand opgemaakt, zodat appellant daaraan niet die waarde hoeft te hechten die betrokkene 1 daaraan gehecht wenst te zien.

5.3.3. Aangezien, gelet op wat in 5.3.2 is overwogen, betrokkene 1 deels onjuiste en deels onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn financiële situatie, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg hiervan is niet vast te stellen of betrokkenen ten tijde van de aanvraag verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden.

5.3.4. Het beroep tegen het besluit van 21 maart 2011 is ongegrond.

6. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in het hoger beroep van appellant. De kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand. Voor een veroordeling in de proceskosten in het beroep tegen het besluit van

21 maart 2011 bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 maart 2011 ongegrond;

- heft van appellant een griffierecht ten bedrage van € 466,--;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 874,--.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

HD