Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
10-2242 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Alcoholgebruik. De minister heeft het veroorzaken van het ongeval kunnen aanmerken als een verzwarende omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2242 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 maart 2010, 09/5146 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Reitsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster-Waagmeester.

OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Appellant was sinds 27 maart 2006 als militair voor bepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke marechaussee (KMar), laatstelijk in de functie van medewerker beveiligingstaken in de rang van marechaussee der tweede klasse bij de brigade Den Haag Beveiliging District KMar West. In de nacht van 26 op 27 september 2008 is appellant op de rijksweg A7 met de auto van zijn moeder tegen de vangrail gereden. Uit de ter plekke afgenomen blaastest is gebleken dat appellant teveel alcohol had genuttigd. Een ademanalyse op het politiebureau heeft uitgewezen dat het alcoholgehalte 335 µg/l was. Appellant was (destijds) een beginnend bestuurder voor wie een wettelijk toegestane maximale waarde van 88 µg/l geldt. Appellant is door de strafrechter veroordeeld tot een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

2.1. Bij besluit van 19 januari 2009, gewijzigd bij besluit van 6 februari 2009, is appellant met ingang van 1 maart 2009 wegens wangedrag ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Bij besluit van 8 juli 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij overwogen dat hij een strikt ontslagbeleid voert ten aanzien van rijden onder invloed door medewerkers van de KMar. Ingevolge dit beleid wordt alleen dan niet tot ontslag wegens wangedrag overgegaan indien geen sprake is van verzwarende omstandigheden. Als verzwarende omstandigheid kan worden aangemerkt de constatering van recidive, de betrokkenheid van een (al dan niet eenzijdig) ongeval of een overschrijding van het transactieniveau.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het beleid van de minister redelijk en was van oordeel dat de minister de betrokkenheid van appellant bij het ongeval terecht als een verzwarende omstandigheid heeft aangemerkt en in redelijkheid heeft kunnen komen tot handhaving van het ontslagbesluit.

3.2. Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Hij bestrijdt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden. Volgens hem was het verkeersongeval niet te wijten aan het alcoholgebruik, maar aan de weersomstandigheden die nacht (hij zou door een mistbank zijn overvallen). Onder die omstandigheden kan het ongeval hem niet worden tegengeworpen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het door de minister gevoerde beleid, dat reeds in eerdere uitspraken niet onredelijk is geacht (CRvB 6 maart 2009, LJN BC6827 en CRvB 19 april 2012, LJN BW3312), staat in deze zaak niet ter discussie. Het geding spitst zich toe op de vraag of de minister het veroorzaken van een eenzijdig ongeval in dit geval als een verzwarende omstandigheid mocht aanmerken, op grond waarvan hij niet van ontslag behoefde af te zien.

4.2. Aan appellant kan worden toegegeven dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre het ongeval is veroorzaakt door het alcoholgebruik van appellant en in hoeverre door de weersomstandigheden. Echter, door met te veel alcohol op achter het stuur plaats te nemen, heeft appellant bewust een risico genomen. Algemeen bekend is dat alcoholgebruik een negatieve invloed heeft op de waarneming, concentratie en reactiesnelheid. Een relatie tussen het alcoholgebruik en het ongeval is dan ook bepaald niet denkbeeldig. Eventuele twijfel ligt daarom in de risicosfeer van appellant en de minister behoefde dit niet ten voordele van appellant te laten vallen. De minister heeft het veroorzaken van het ongeval kunnen aanmerken als een verzwarende omstandigheid.

4.3. Appellant heeft ter zitting gewezen op twee andere gevallen, waarin sprake was van plichtsverzuim en waarin de minister niet tot ontslag is overgegaan. Uit het dossier blijkt dat dit één geval betrof van rijden onder invloed, waarbij geen sprake was van een verzwarende omstandigheid. Door in die zaak van ontslag af te zien, heeft de minister niet in strijd met het beleid gehandeld, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het tweede geval, dat appellant eerst ter zitting heeft genoemd, betreft een heel ander soort plichtsverzuim, waarvan de relevante feiten en omstandigheden, waaronder dat plichtsverzuim is begaan, niet bekend zijn. Een adequate vergelijking met onderhavige zaak is daardoor niet mogelijk.

4.4. Met de rechtbank concludeert de Raad dat de verweten gedraging appellant kan worden toegerekend en dat de minister in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) A.C. Oomkens

HD