Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
10-5567 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedrag tijdens opleiding. Het tijdelijk dienstverband wordt van rechtswege beeindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5567 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2010, 10/2387 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Justitie (minister)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van Raaij. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Schouten en J.H.C.W. Ubaghs.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is met ingang van 3 juli 2006 aangesteld als bewaarder bij het projectbureau DJI-pool van de sectordirectie Gevangeniswezen van de dienst Justitiële Inrichtingen, tijdelijk voor bepaalde tijd tot uiterlijk 36 maanden voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan. Appellant moest daarvoor een opleiding volgen van enige maanden, gedurende één dag per week. De opleiding is gestart op 8 september 2008.

1.1. Naar aanleiding van een melding dat betrokkene tot drie keer toe in slaap is gevallen tijdens de opleiding en het op bedreigende toon toespreken van een collega en het gooien van een brandende sigarettenpeuk in de richting van die collega is begin mei 2009 met hem gesproken. Bij besluit van 19 mei 2009 is aan hem met toepassing van artikel 33e van het Algemeen rijksambtenarenreglement buitengewoon verlof verleend. Bij besluit van 20 mei 2009 is appellant meegedeeld dat zijn aanstelling per 3 juli 2009 van rechtswege zal eindigen. Deze besluiten zijn na bezwaar en onder aanvulling van motivering, gehandhaafd bij besluit van 15 februari 2010 (bestreden besluit).

1.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de beëindiging van rechtswege van zijn dienstbetrekking.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Een mededeling dat het tijdelijk dienstverband van rechtswege eindigt wordt volgens vaste rechtspraak opgevat als de weigering het dienstverband voort te zetten dan wel om te zetten in een vaste aanstelling. In zoverre is die mededeling een besluit gericht op rechtsgevolg.

4.2 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 8 terecht overwogen dat getoetst moet worden of het besluit tot niet verlengen voldoet aan de vereisten die daaraan volgens vaste rechtspraak worden gesteld. Op grond van die rechtspraak is een bestuursorgaan niet gehouden een aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij enige verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

4.3. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat van een zodanig verplichting niet is gebleken. Evenmin is gebleken van strijdigheid met het recht. Uit de stukken komt naar voren dat appellant zich heeft misdragen tijdens zijn opleiding. In die misdragingen, voor zover appellant die heeft erkend, kan voldoende grond worden gevonden om zijn dienstverband niet te verlengen. De minister kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het vertrouwen dat appellant wel alert zal blijven tijdens actieve dienstverrichting, zeker in de nachtdiensten, niet meer aanwezig is. De uitlatingen tegen de collega die het in slaapvallen heeft gemeld (“vuile kankermatennaaier”) zijn met recht als niet-professioneel en niet gepast aangemerkt. Dat dit tijdens de opleiding en niet onder het gewone werk plaats had, maakt niet uit. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, waarbij wordt verwezen naar de overwegingen van de rechtbank daarover.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) A.C. Oomkens

HD