Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
11- 4547 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vergoeding extra vakantie. Op grond van de psychische klachten van appellant bestaat geen medische noodzaak voor een extra vakantie, nu ten tijde in geding blijkens de beschikbare medische gegevens geen sprake was van een acuut dreigende psychische decompensatie waarvoor extra vakantie noodzakelijk zou zijn. Huidkanker: Gezien de verklaring van de behandelend dermatoloog J.R. Wikler van 29 september 2011 is bij appellant onder meer sprake van recediverend optreden van aktinische kerastosen en basaalcelcarcinomata. Volgens deze arts is er een duidelijk oorzakelijk verband tussen de verschillen basaalcelcarcinomata en de langdurige expositie aan zonlicht van appellant in zijn jeugd tijdens zijn internering in de Japanse kampen. Appellant heeft ter zitting ook meegedeeld dat hij al jaren wordt behandeld voor deze aandoening. Gezien deze gegevens berust het bestreden besluit op dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering en komt het in zoverre op grond van strijd met artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4547 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juli 2011, kenmerk BZ01325009 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 mei 1990 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en aan hem zijn een periodieke uitkering en diverse voorzieningen toegekend. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellant en zijn gebitsklachten in verband staan met de vervolging. Op 11 maart 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend voor het vergoeden van een extra vakantie, op welke aanvraag door verweerder afwijzend is beslist bij besluit van 21 april 2011. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. De onderhavige afwijzing berust op de grond dat geen medische noodzaak aanwezig is voor een extra vakantie, omdat er geen sprake is van herstellen van een operatie of andere medische behandeling of van voorkoming van psychische decompensatie. Bovendien is de reeds eerder aan appellant toegekende tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer mede bedoeld ter bekostiging van een extra vakantie.

2.2. Van de zijde van appellant zijn zowel in bezwaar als in beroep diverse medische verklaringen overgelegd. Hieruit blijkt dat appellant psychische klachten heeft, dat er in 2011 een ziekenhuisopname heeft plaatsgevonden wegens een urineweginfectie en dat appellant op 6 april 2011 is behandeld voor een hartritmestoornis. Ook heeft appellant in september 2011 een knieoperatie ondergaan. Verder is appellant nog behandeld wegens huidkanker. Omdat appellant de leeftijd van 70 jaar is gepasseerd, zijn bij het bestreden besluit al zijn medische aandoeningen betrokken in de beoordeling of sprake is van medische noodzaak voor de extra vakantie.

2.3. De Raad kan verweerder volgen in het standpunt dat er op grond van de psychische klachten van appellant geen medische noodzaak bestaat voor een extra vakantie, nu ten tijde in geding blijkens de beschikbare medische gegevens geen sprake was van een acuut dreigende psychische decompensatie waarvoor extra vakantie noodzakelijk zou zijn. Na de twee korte opnames in het ziekenhuis in 2011, die nog vóór het bestreden besluit plaatsvonden, was geen sprake van een noodzaak voor extra vakantie ter reconvalescentie. Dit was anders in februari 2010, toen appellant na een hernia-operatie een periode moest herstellen en hem daarvoor wel een vergoeding voor extra vakantie is toegekend. De medische noodzaak bestond evenmin op grond van de behandeling wegens huidkanker die appellant blijkens de verklaring van zijn behandelend dermatoloog al enige jaren ondergaat. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen door en namens appellant is aangevoerd geen aanleiding gevonden de in het bestreden besluit vervatte handhaving van de weigering een extra vakantie te vergoeden in rechte aan te tasten.

2.4. Dit geldt wel voor het in het bestreden besluit gegeven oordeel van verweerder dat voor de huidkanker van appellant een verband met de vervolging niet kan worden aangenomen. Dit oordeel berust op de grond dat hier sprake is van een leeftijdsgebonden degeneratieve aandoening. Gezien de verklaring van de behandelend dermatoloog J.R. Wikler van 29 september 2011 is bij appellant onder meer sprake van recediverend optreden van aktinische kerastosen en basaalcelcarcinomata. Volgens deze arts is er een duidelijk oorzakelijk verband tussen de verschillen basaalcelcarcinomata en de langdurige expositie aan zonlicht van appellant in zijn jeugd tijdens zijn internering in de Japanse kampen. Appellant heeft ter zitting ook meegedeeld dat hij al jaren wordt behandeld voor deze aandoening. Gezien deze gegevens berust het bestreden besluit op dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering en komt het in zoverre op grond van strijd met artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal hierover een nieuw besluit op het bezwaar van appellant moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.5. Nu het beroep ten aanzien van een onderdeel van het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, wordt verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,- voor kosten van rechtsbijstand ter zitting. Voor vergoeding van de verleende hulp bij het beroepschrift is geen aanleiding.

Mr. Bierenbroodspot heeft zich pas bij faxbericht van 18 mei 2012 als gemachtigde gesteld.

Het behulpzaam zijn bij het opstellen van een beroepschrift door een niet kenbare gemaakte gemachtigde vormt geen handeling in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (CRvB 18 februari 2011, LJN BP5173).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond ten aanzien van het oordeel dat causaal verband tussen de vervolging en de huidkanker van appellant ontbreekt;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- draagt verweerder op hierover een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellant tot een bedrag van € 437,-;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.C. Nijholt

HD