Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-5388 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het het bestreden besluit niet volledig handhaaft. en verstrekt de bijstand voor (enkele) goederen tot een bedrag van € 388,-- om niet. Ten aanzien van de overige goederen heeft de rechtbank met juistheid op de door haar gebezigde gronden geoordeeld dat appellante het verwijt kan worden gemaakt van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Ook een advies van een maatschappelijk werker ontsloeg appellante niet van de verplichting om alvorens de te vervangen duurzame gebruiksgoederen weg te gooien, eerst contact op te nemen met het college. Het college heeft daarom in redelijkheid de bijzondere bijstand voor de overige goederen in de vorm van een geldlening kunnen toekennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5388 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2010, 11/1304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 17 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rebergen. Tevens was ter zitting aanwezig S. Cihangir als tolk in de Turkse taal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C. Vlaskamp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In maart 2010 heeft de gemeente Millingen aan de Rijn aan appellante bijzondere bijstand verstrekt voor drie eenpersoonsbedden en matrassen, een koelkast en een stofzuiger. Op 17 juni 2010 heeft appellante zich met haar kinderen ingeschreven in de gemeente Nijmegen.

1.2. Op 21 juli 2010 heeft appellante een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de aanschaf van een bank, een salontafel, een eethoek en drie kledingkasten. Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten van bestaan. Appellante had de te vervangen duurzame gebruiksgoederen moeten bewaren totdat de noodzaak van vervanging was vastgesteld. Dringende redenen om van deze regel af te wijken zijn er niet.

1.3. Op 16 november 2010 heeft appellante een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van een eenpersoonsbed met matras, een hang/legkast en beddengoed voor haar tweede dochter; voor een eenpersoonsmatras voor haar oudste dochter; voor een hang/legkast voor haar zoon; en voor een bank, een wandmeubel, een salontafel en een eethoek. Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college appellante voor die goederen bijstand verleend tot een bedrag van € 1.790,-- in de vorm van geldlening. Daartoe heeft het college overwogen dat de noodzaak van deze bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het verwijtbare gedrag bestaat uit het weggooien van deze goederen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover de bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend.

1.4. Bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Doorslaggevend is dat appellante de gevraagde goederen tijdens de verhuizing naar Nijmegen heeft weggegooid. Daardoor is de noodzaak tot bijstandsverlening ontstaan. Niet onderbouwd is dat die goederen al tien jaar oud en beschadigd waren, en dat appellante daarom geen verwijt treft. Verder is onduidelijk of de gevraagde goederen niet ook omvatten die waarvoor appellante van de gemeente Millingen aan de Rijn bijzondere bijstand heeft ontvangen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college de bijstand om niet had moeten verlenen. Appellante is een zorgklant. Zij handelde op advies van een maatschappelijk werker. De goederen waren oud en beschadigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat het college gehouden was bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van de gevraagde duurzame gebruiksgoederen. In dit geding gaat het slechts om de vorm waarin die bijstand is verleend.

4.2. Artikel 48, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de bijstand wordt verleend om niet tenzij in deze wet anders is bepaald. Het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

4.3. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het het bestreden besluit niet volledig handhaaft. Ten aanzien van de kosten van het beddengoed voor de tweede dochter tot een bedrag van € 73,-- en de kosten van een wandmeubel tot een bedrag van € 315,-- treft appellante geen verwijt. Het college wil de bijstand voor deze goederen tot een bedrag van € 388,-- om niet verstrekken.

4.4. Ten aanzien van de overige goederen heeft de rechtbank met juistheid op de door haar gebezigde gronden geoordeeld dat appellante het verwijt kan worden gemaakt van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Ook een advies van een maatschappelijk werker ontsloeg appellante niet van de verplichting om alvorens de te vervangen duurzame gebruiksgoederen weg te gooien, eerst contact op te nemen met het college. Het college heeft daarom in redelijkheid de bijzondere bijstand voor de overige goederen in de vorm van een geldlening kunnen toekennen.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt voor zover het de onder 4.3 genoemde goederen betreft. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Zoals met partijen ter zitting is besproken voor het geval het hoger beroep overigens niet zou slagen, zal de Raad het geding finaal beslechten en de zaak zelf afdoen. Daartoe zal het besluit van

23 november 2010 worden herroepen voor zover daarbij de bijzondere bijstand voor de onder 4.3 genoemde goederen in vorm van een geldlening is verstrekt en zal de bijstand in zoverre om niet worden verstrekt.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2011 gegrond;

- vernietigt dat besluit voor zover daarbij van de toegekende bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.790,-- een bedrag van € 388,-- voor de kosten van beddengoed voor de tweede dochter en een wandmeubel in de vorm van een geldlening is verleend;

- herroept het besluit van 23 november 2010 in zoverre;

- bepaalt dat de bijzondere bijstand in zoverre om niet wordt verstrekt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 15 maart 2011;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.622,--, waarvan een bedrag van € 1.748,-- te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

HD