Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
11-6763 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bevordering naar de naasthogere rang van adjudant-onderofficier met terugwerkende kracht tot 1 maart 2000. Duuraanspraak. Bij de toetsing van het verzoek om terug te komen van, onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Voor zover het gaat om de periode voorafgaande aan de datum van het verzoek moet worden vastgesteld dat aan dit verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De weigering, ook voor zover deze ziet op de periode vanaf de datum van het verzoek, kan in rechte stand houden. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6763 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2011, 09/8176 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 12 juli 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. Appellant is verschenen, vergezeld door M.J.M. van de Koolwijk en H.P.M. Lammers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Aan appellant is bij besluit van 23 maart 2000 per 1 maart 2000 de functie toegewezen van onderofficier Bijzondere Dienst/Veiligheid (BD/V) bij het District Noord van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Aan deze functie was de rang van opperwachtmeester verbonden. Bij rekest van 5 februari 2004 heeft appellant met een beroep op het gelijkheidsbeginsel verzocht om bevordering naar de naasthogere rang van adjudant-onderofficier met terugwerkende kracht tot 1 maart 2000. Dit verzoek is bij besluit van 10 augustus 2004 afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft de minister bij besluit van 19 december 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 3 juni 2009 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De minister heeft vervolgens bij besluit van 13 oktober 2009 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2004 wederom ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat sprake is van een weigering om terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 23 maart 2000 en dat beoordeeld moet worden of appellant aan zijn verzoek nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die aanleiding hadden moeten geven om van dat besluit te komen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat appellant dergelijke feiten of omstandigheden niet naar voren heeft gebracht en dat de weigering om van het besluit van 23 maart 2000 terug te komen dus in rechte stand kan houden.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat in dit geval een duuraanspraak in het geding is. In zo’n geval is het aangewezen om bij de toetsing van het verzoek om terug te komen van, een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 13 oktober 2011, LJN BU2140). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek, moet de bestuursrechter zich in beginsel beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsingsmaatstaf worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank met betrekking tot de periode vanaf de datum van het verzoek een te beperkte toetsing heeft aangelegd.

4.2. Voor zover het gaat om de periode voorafgaande aan de datum van het verzoek moet worden vastgesteld dat aan dit verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De door appellant genoemde Stafstudie knelpunten Bijzondere Dienst/Veiligheid van 10 februari 2000 dateert van vóór het besluit van 23 maart 2000 en had in het kader van een bezwaar- en beroepsprocedure tegen dat besluit aan de orde kunnen worden gesteld. Verder is in het advies van kolonel R.T.P. Sassen van 26 februari 2004 en de brief van luitenant-kolonel A.A. Peperkoorn van 13 april 2005 geen melding gemaakt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld onder 4.1. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing daarom stand.

4.3. Wat betreft de periode daarna heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat bij de andere districten binnen de KMar de functie van onderofficier BD/V naar de rang van adjudant-onderofficier werd gewaardeerd en dat op grond van het gelijkheidsbeginsel deze rang ook binnen district Noord toegekend had moeten worden. De minister heeft hier tegenover gesteld dat er in de van belang zijnde periode twee functies bestonden die allebei de functienaam onderofficier BD/V hadden. De functie met deze benaming die bij de andere districten voorkwam en waaraan de rang van adjudant-onderofficier was verbonden, omvatte, anders dan binnen district Noord, ook coördinerende taken, aldus de minister. Daarbij heeft de minister verwezen naar twee functiebeschrijvingen van de functie van onderofficier BD/V met respectievelijk de functiecodes 034170 en 034171. De Raad ziet in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen reden om de juistheid van het standpunt van de minister in twijfel te trekken. Verder moet worden vastgesteld dat appellant, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, in zijn functie van onderofficier BD/V bij district Noord geen coördinerende taken vervulde. Het voorgaande brengt mee dat de weigering, ook voor zover deze ziet op de periode vanaf de datum van het verzoek, in rechte stand kan houden.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

5.1. Appellant heeft vanwege de lange duur van de procedure de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar de overwegingen 11.1 tot en met 11.3 in zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044).

5.2. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de minister op 17 september 2004 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn bijna zeven jaar en tien maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De behandeling door de minister vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 september 2004 tot het besluit van 19 december 2006 heeft ruim twee jaar en twee maanden geduurd. Verder heeft de eerste behandeling door de rechtbank ruim twee jaar en vier maanden geduurd. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank en het daarop volgende hoger beroep vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 20 november 2009 tot de datum van deze uitspraak hebben tezamen minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat in de tweede rechterlijke fase geen sprake lijkt van een te lange behandelingsduur. Aan het voorgaande kan het echter wel het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de eerste rechterlijke fase is overschreden.

5.3. In deze procedure moet daarom, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), worden beslist over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb wordt daarbij naast de minister de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure aangemerkt.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 12/(SV 12/3546 BESLU R00692) en 12/(SV 12/3547 BESLU R00692) ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD