Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
11-1425 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herleving (tijdelijke) aanstelling. Geen procesbelang. De beslissing van het college om de tijdelijke aanstelling van appellante na 1 september 2009 niet voort te zetten, is onderwerp van een afzonderlijke beroepsprocedure tussen partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1425 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2011, 09/5805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.R.J. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Van de zijde van appellante is, zoals kort tevoren bericht, niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Koldewee.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 april 2007 is appellante van 1 april 2007 tot 1 april 2008 aangesteld in tijdelijke dienst van de gemeente Amsterdam en tewerkgesteld bij het Servicehuis ICT. Deze aanstelling is bij besluit van 3 maart 2008 verlengd van 1 april 2008 tot uiterlijk 1 september 2009. Vervolgens is appellante van 18 augustus 2008 tot 1 februari 2009 gedetacheerd bij het Servicehuis Personeel, deze detachering is per 31 december 2008 beëindigd.

1.2. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het college appellante met ingang van 1 februari 2009 ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de verdere vervulling van haar functie anders dan door ziekte of gebreken. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 mei 2009 heeft het college appellante meegedeeld het advies van de bezwarencommissie, inhoudende appellantes bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit in te trekken, te zullen volgen en het dienstverband met terugwerkende kracht te zullen herstellen. Bij het bestreden besluit van 9 juni 2009 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, appellante met ingang van 1ebruari 2009 opnieuw aangesteld in tijdelijke dienst van de gemeente Amsterdam tot uiterlijk 1 september 2009.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat aan de bezwaren van appellante tegen haar ontslag per 1 februari 2009 met het besluit van 9 juni 2009 volledig is tegemoet gekomen. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij de behandeling van haar beroep. Om die reden heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Appellante bestrijdt dat zij geen procesbelang meer heeft. In het bestreden besluit leest appellante niet slechts een tegemoetkoming aan het bezwaar van appellante, maar ook een nieuwe tijdelijke aanstelling van 1 februari tot uiterlijk 1 september 2009 en volgens appellante is dit nieuwe aanstellingsbesluit niet deugdelijk gemotiveerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij het besluit van 9 juni 2009 heeft het college besloten appellante “weder aan te stellen” met ingang van 1 februari 2009 tot uiterlijk 1 september 2009. Gelet ook op de verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie en het besluit van 3 maart 2008, heeft dit besluit geen andere of verdere strekking dan het vaststellen van appellantes rechtspositie na de intrekking van het eerder met ingang van 1 februari 2009 gegeven ontslag. Immers door deze intrekking herleefde de aanstelling, zoals neergelegd in het besluit van 3 maar 2008. Van een afzonderlijke, nieuwe, tijdelijke aanstelling voor de periode februari tot september 2009 is geen sprake. De beslissing van het college om de tijdelijke aanstelling van appellante na 1 september 2009 niet voort te zetten, is onderwerp van een afzonderlijke beroepsprocedure tussen partijen.

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dus terecht vastgesteld dat met het besluit van 9 juni 2009 volledig aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen en dat zij geen belang meer heeft bij de behandeling van haar beroep. Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) A.C. Oomkens

HD